Gepubliceerd op maandag 23 maart 2026
IEFBE 4148
Gerecht EU - Tribunal UE ||
18 mrt 2026
Gerecht EU - Tribunal UE 18 mrt 2026, IEFBE 4148; ECLI:EU:T:2026:199 (Effeemme Srl tegen EUIPO en Phoenix 1946 Srl), https://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-bevestigt-verval-van-het-uniemerk-gattinoni-wegens-gebrek-aan-normaal-gebruik

Gerecht bevestigt verval van het Uniemerk Gattinoni wegens gebrek aan normaal gebruik

Gerecht 18 maart 2026, IEF 23384; IEFbe 4148; ECLI:EU:T:2026:199 (Effeemme Srl tegen EUIPO en Phoenix 1946 Srl). In deze zaak verzocht Effeemme Srl om vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep van het EUIPO, waarin was bevestigd dat het figuratieve Uniemerk Gattinoni vervallen was verklaard voor alle betrokken waren in de klassen 18 en 25, omdat geen normaal gebruik van het merk was aangetoond in de relevante periode van 14 mei 2017 tot en met 13 mei 2022. Het Gerecht zet eerst het juridische kader uiteen: voor behoud van een Uniemerk moet het merk in de Unie daadwerkelijk en niet louter symbolisch zijn gebruikt, waarbij het bewijs cumulatief betrekking moet hebben op plaats, duur, omvang en aard van het gebruik. In deze zaak stond alleen de omvang van het gebruik ter discussie. Effeemme voerde aan dat de kamer van beroep het bewijs ten onrechte stuk voor stuk had beoordeeld en onvoldoende gewicht had toegekend aan licentieovereenkomsten, catalogi, facturen, promotiemateriaal en persartikelen. Het Gerecht verwerpt dat betoog en oordeelt dat de kamer van beroep het bewijsmateriaal wél in samenhang heeft beoordeeld, maar terecht heeft vastgesteld dat vrijwel alle stukken zagen op een periode vóór de relevante gebruiksperiode en dat de stukken uit de relevante periode geen voldoende concreet en objectief beeld gaven van daadwerkelijke marktactiviteit. Met name ontbraken gegevens over omzet, verkoopcijfers, jaarlijkse verkooprapporten, promotiebudgetten of andere stukken waaruit de commerciële omvang van het gebruik van het merk kon blijken.

Het Gerecht oordeelt vervolgens dat de afzonderlijke categorieën bewijs de uitkomst niet kunnen veranderen. Licentieovereenkomsten tonen op zichzelf alleen toestemming voor gebruik door derden aan, maar niet dat het merk ook werkelijk en serieus op de markt is gebruikt. De door Effeemme aangehaalde catalogi, interne workbooks, advertenties en media planning bewezen evenmin effectief gebruik in de relevante periode, onder meer omdat zij grotendeels van vóór die periode dateerden of slechts intern gebruik betroffen. Ook een factuur van 31 januari 2017 hielp Effeemme niet, omdat die eveneens van vóór de relevante periode was en verwees naar een oudere licentieovereenkomst voor het seizoen herfst-winter 2015/2016. De twee persartikelen uit 2018 en 2019 over deelname van Gattinoni aan de modeweek AltaRoma waren volgens het Gerecht evenmin voldoende: zij wezen vooral op de historische, culturele en artistieke waarde van het modehuis en bevatten geen concrete aanwijzingen over de commerciële omvang van het gebruik van het merk in de Unie. Ten slotte konden ook oudere stukken van vóór de relevante periode niet alsnog doorslaggevend zijn, omdat zulke stukken alleen kunnen meewegen als er daarnaast voldoende bewijs bestaat van gebruik tijdens de relevante periode zelf, en dat ontbrak hier juist. Daarom bevestigt het Gerecht dat niet is aangetoond dat het merk in de relevante periode normaal is gebruikt, verwerpt het het beroep volledig en beslist het dat Effeemme haar eigen kosten en die van Phoenix 1946 Srl moet dragen, terwijl het EUIPO zijn eigen kosten draagt.

32.       Wat de licentieovereenkomsten betreft, oordeelde de Kamer van Beroep in punt 32 van de bestreden uitspraak dat, hoewel de meeste overeenkomsten een vervaldatum binnen de relevante periode voorzagen, zij bij gebrek aan boekhoudkundige gegevens, facturen met betrekking tot royalty's of productverkopen, catalogi of reclameactiviteiten die overeenkomen met die periode, niet de mate van gebruik van het betwiste merk aantoonden, aangezien zij niet werden aangevuld met ander bewijsmateriaal dat hun geldigheid gedurende die periode aantoonde. Bovendien merkte de Kamer van Beroep op dat de betreffende overeenkomsten voorzagen in de mogelijkheid van eenzijdige beëindiging, alsmede een recht van ontbinding voor de partijen in geval van wanprestatie door de andere partij of een volledige stopzetting van de bedrijfsactiviteiten. Het oordeel luidde daarom dat, na de gedocumenteerde ontbinding van de aanvrager, in het kader van de bepalingen betreffende deze herroepingsrechten en gezien het feit dat de aanvrager geen verdere informatie had verstrekt die de beoordelingen van de ontbindingsafdeling in twijfel zou kunnen trekken, het daadwerkelijke gebruik van het betwiste merk onder de voorgelegde overeenkomsten, alsmede de daadwerkelijke geldigheid en werking van deze overeenkomsten gedurende de relevante periode, niet was bewezen door specifieke en objectieve gegevens, maar slechts door onzekere veronderstellingen.

33.       Met betrekking tot de factuur van 31 januari 2017 merkte de Kamer van Beroep in paragraaf 33 van de bestreden beslissing op dat deze factuur dateerde van vóór de relevante periode. Bovendien achtte zij de veronderstelling dat de factuur betrekking had op royalty's verschuldigd voor het jaar 2017 zeer onwaarschijnlijk, bij gebrek aan enig bewijs daarvoor, en dat deze veronderstelling integendeel werd weerlegd door een gezamenlijke lezing van de ingediende documenten. Ten eerste, aangezien royalty's evenredig zijn aan de omzet, zou het onrealistisch zijn om aan te nemen dat de facturering en betaling van royalty's voorafgingen aan de verkoop van producten door de licentienemer. Ten tweede verwees de factuur naar de licentieovereenkomst van 14 maart 2015, waarin was bepaald dat de licentie voor het gebruik van het betwiste handelsmerk uitsluitend was verleend voor het herfst-winterseizoen 2015/2016 in ruil voor een royalty gelijk aan 10% van de omzet voor dat seizoen. De beroepscommissie concludeerde dat deze betaling betrekking had op overeenkomsten en royalty's die verschuldigd waren vóór de relevante periode en dat de betreffende factuur niet aantoonde dat dit handelsmerk gedurende die periode was gebruikt.

34       Ten slotte, wat betreft de andere door de aanvrager overgelegde documenten, waaronder catalogi en reclame- en promotiemateriaal, was de Raad van Beroep het in punt 34 van de bestreden beslissing eens met de beoordeling van de Afdeling Nietigverklaring dat, ten eerste, al deze catalogi en materialen dateren van vóór de relevante periode en, ten tweede, dat het enige document dat betrekking had op die periode, namelijk de schoenencollectie voor het voorjaar-zomerseizoen 2018, dat door de aanvrager als catalogus werd gepresenteerd, in werkelijkheid een handleiding was bedoeld voor intern gebruik binnen het bedrijf en die bovendien vóór die periode ontworpen had kunnen zijn.