Gepubliceerd op dinsdag 29 september 2026
IEFBE 4321
Gerecht EU - Tribunal UE ||
23 sep 2026,
Gerecht EU - Tribunal UE 23 sep 2026,, IEFBE 4321; ECLI:EU:T:2026:587 (Devatis), https://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-geen-verband-tussen-devatis-en-novartis-in-de-zin-van-artikel-8-lid-5-umvo

Gerecht EU: geen verband tussen DEVATIS en NOVARTIS in de zin van artikel 8 lid 5 UMVo

Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23870; IEFbe 4321; ECLI:EU:T:2026:587 (Devatis). Deva Holding verzocht om bescherming in de Europese Unie van het beeldmerk DEVATIS voor verschillende waren in klasse 5, waaronder farmaceutische, medische en veterinaire preparaten. Novartis stelde oppositie in op grond van artikel 8 lid 5 UMVo en beriep zich op haar oudere woordmerk NOVARTIS. De oppositieafdeling wees de oppositie af. De Kamer van Beroep vernietigde die beslissing, omdat zij van oordeel was dat tussen de tekens een verband kon worden gelegd en dat sprake was van een niet louter hypothetisch risico op ongerechtvaardigd voordeel. Zij verwees de zaak terug naar de oppositieafdeling voor onder meer een volledige beoordeling van het bewijs van normaal gebruik en van de gestelde bekendheid van NOVARTIS. Het Gerecht stelt voorop dat de voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo cumulatief zijn en dat een verband in de perceptie van het relevante publiek een noodzakelijke voorwaarde voor toepassing van die bepaling vormt. Wat de waren betreft, corrigeert het Gerecht de Kamer van Beroep: babyvoeding, middelen ter bestrijding van ongedierte en fungiciden zijn slechts in geringe mate soortgelijk aan farmaceutische preparaten en stoffen, terwijl tandvulmiddelen, tandwas en herbiciden daarvan verschillen. Wat de bekendheid betreft, mocht de Kamer van Beroep voor haar beoordeling uitgaan van de voor Novartis gunstige aanname dat het oudere merk een solide of hoge reputatie genoot; het Gerecht stelt de bekendheid in deze procedure dus niet zelf feitelijk vast.

Het Gerecht bevestigt dat DEVATIS en NOVARTIS visueel en fonetisch slechts in geringe mate overeenstemmen en dat de begripsmatige vergelijking neutraal is. Of het relevante publiek niettemin een verband tussen beide merken legt, moet globaal worden beoordeeld aan de hand van onder meer de mate van overeenstemming tussen de tekens, de aard en nabijheid van de betrokken waren, het relevante publiek, de sterkte van de reputatie en het onderscheidend vermogen van het oudere merk. De Kamer van Beroep heeft daarbij onvoldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de beginbestanddelen “de” en “no”, de aanwezigheid van de letter “r” in NOVARTIS, het ten minste bovengemiddelde aandachtsniveau van het relevante publiek voor alle betrokken waren en de geringe of ontbrekende soortgelijkheid van een deel van die waren. Zelfs uitgaande van een hoge reputatie van NOVARTIS volgt daaruit niet zonder meer dat het publiek een verband tussen de tekens zal leggen. Het Gerecht oordeelt daarom dat de Kamer van Beroep ten onrechte heeft aangenomen dat het relevante publiek DEVATIS met NOVARTIS in verband zou brengen. Omdat de voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo cumulatief zijn, is dat voldoende om de beslissing van de Kamer van Beroep te vernietigen en hoeft het Gerecht de gestelde geldige reden voor het gebruik van DEVATIS niet meer te onderzoeken.

96      While some similarity, even faint, cannot in itself rule out the application of Article 8(5) of Regulation 2017/1001 (see, to that effect, judgment of 20 November 2014, Intra-Presse v Golden Balls, C‑581/13 P and C‑582/13 P, not published, EU:C:2014:2387, paragraphs 72 to 77 and the case-law cited), the Court of Justice has also held that the fact that two marks are identical, and even more so if they are merely similar, is not sufficient for it to be concluded that there is a link between those marks (see judgment of 26 July 2017, Staatliche Porzellan-Manufaktur Meissen v EUIPO, C‑471/16 P, not published, EU:C:2017:602, paragraph 51 and the case-law cited).

97      In the present case, the marks at issue are not identical and differ in their initial parts, respectively ‘no’ and ‘de’, and by the presence of the letter ‘r’ in the earlier mark. Those differences are not negligible in assessing the similarity between the two signs and give them different expressions in the eyes of the relevant public, making it unlikely that, on seeing the mark applied for, that public will make a connection with the earlier mark on account of its reputation.

98      As regards the relevant public, the Court recalls that the existence of injury consisting of unfair advantage taken of the distinctive character or the repute of the earlier mark, in so far as what is prohibited is the drawing of benefit from that mark by the proprietor of the mark applied for, must be assessed by reference to average consumers of the goods or services covered by the mark applied for, who are reasonably well informed and reasonably observant and circumspect (judgment of 27 November 2008, Intel Corporation, C‑252/07, EU:C:2008:655, paragraphs 35 and 36). It should also be borne in mind that the average consumer’s degree of attentiveness is likely to vary according to the category of goods or services in question (see judgment of 15 December 2010, Novartis v OHIM – Sanochemia Pharmazeutika (TOLPOSAN), T‑331/09, EU:T:2010:520, paragraph 23 and the case-law cited).

99      It is apparent from the findings set out in paragraph 35 of the contested decision that the relevant public for the goods covered by the mark applied for consists of the general public and professionals in the medical and pharmaceutical sectors. In that context, although the existence of injury consisting of unfair advantage taken of the distinctive character or reputation of the earlier mark must be assessed by reference to average consumers of the goods covered by the trade mark applied for, who are reasonably well informed and reasonably observant and circumspect, in the present case, average consumers of the goods covered by the mark applied for are likely to be more attentive (see, to that effect and by analogy, judgment of 9 September 2020, Kludi v EUIPO – Adlon Brand (ADLON), T‑144/19, not published, EU:T:2020:404, paragraph 169).