IEFBE 3045

Gerecht EU vernietigt besluit EUIPO

Gerecht EU 27 februari 2020, IEF 19061, IEFbe 3045; T-159/19 (Bog-Fran/EUIPO) Fabryki Mebli “Forte” had een ontwerp van een kast succesvol ingeschreven bij EUIPO. Hiertegen had Bog-Fran bezwaar gemaakt omdat het ontwerp niet nieuw genoeg was en het individueel karakter mist, wat vereist is op basis van artikelen 4, 5 en 6 van Verordening Nr. 6/2002. De Invalidity Division van EUIPO ging mee in het bezwaar van Bog-Fran, hoewel de derde kamer van beroep van EUIPO dit besluit vervolgens vernietigde omdat het eerdere ontwerp nog niet publiekelijk toegankelijk was in lijn met artikel 7 lid 1 van Verordening Nr. 6/2002.

Bog-Fran vordert bij het Gerecht EU vernieting van het besluit van de derde kamer van beroep van EUIPO en vernietiging van de inschrijving van het ontwerp bij EUIPO. Het besluit van de derde kamer van beroep van EUIPO wordt vernietigd, omdat laatstgenoemde is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting omtrent de uitleg van artikel 7 lid 1 van Verordening Nr. 6/2002. In het kader van de vordering ter vernieting van de inschrijving van het ontwerp bij EUIPO acht het Gerecht EU zich niet bevoegd.

42      However, by finding, on the basis of the evidence submitted by the applicant, that the earlier design had not been made available, for the purposes of Article 7(1) of Regulation No 6/2002, the Board of Appeal erred in its assessment of that evidence and misapplied that provision.

43      On that ground, the contested decision must be annulled, without it being necessary to rule on the arguments of EUIPO and the intervener relating to the lack of knowledge, on the part of the circles specialised in the sector concerned, of the events constituting disclosure at issue or the admissibility, which the intervener disputes, of some items of evidence that the applicant submitted for the first time before the Court.

46      In the present case, the Court cannot assess those matters, since the Board of Appeal has not, inter alia, adopted a position either on the arguments by which the intervener maintained that the events constituting disclosure that were invoked by the applicant could not reasonably have come to the knowledge of the circles specialised in the sector concerned or on the individual character of the contested design.

47      In those circumstances, it must be held that the conditions for the exercise of the Court’s power to alter decisions pursuant to Article 61(3) of Regulation No 6/2002 are not satisfied.