IEFBE 3250

Gerecht EU: Wolf en Rolf conceptueel en fonetisch te verschillend

Gerecht EU 30 juni 2021, IEF 20085, IEFbe 3250; ECLI:EU:T:2021:406 (Wolf tegen EUIPO en Rolf)  Wolf is houder van de gelijknamige merknaam. Rolf is houder van het later ingeschreven beeldmerk. Beide partijen zijn in vergelijkbare sectoren actief. Wolf heeft bij het EUIPO bezwaar gemaakt tegen de inschrijving van het beeldmerk, maar dit is afgewezen. Wolf vordert nu bij het Gerecht vernietiging van die beslissing en voert daartoe aan dat er sprake is van verwarringsgevaar. Volgens Wolf lijken de merken teveel op elkaar. Ondanks het feit dat drie van de vier letters hetzelfde zijn en in dezelfde volgorde staan, is er volgens het Gerecht geen sprake van een fonetische en conceptuele gelijkenis. De twee beeldmerken zijn niet zodanig gelijk, dat het voor het relevante publiek leidt tot verwarring. Het Gerecht bevestigt de uitspraak van het EUIPO. 

65. Anders dan verzoekster betoogt, kan worden geconcludeerd dat voor een groot deel van het relevante publiek, in het bijzonder, maar niet alleen, het Engelssprekende publiek, het element "wolf" zal worden geassocieerd met het begrip wolf en het element "rolf" zal worden opgevat als een mannelijke naam. De betrokken tekens vertonen dus geen begripsmatige gelijkenis, aangezien de naam Rolf geen rechtstreekse begripsmatige gelijkenis vertoont met een wolf. Weliswaar is de etymologie van de voornaam Rolf de combinatie van de Germaanse woorden "hrod" (roem), "wulf" (wolf) en de Germaanse naam Hrolf, die op haar beurt een samentrekking is van Hrodwulf (Rudolf), maar dit doet niets af aan deze conclusie, aangezien verzoekster in casu hoe dan ook niet heeft aangetoond dat het relevante publiek het aangevraagde teken zal associëren met het begrip wolf.

75. Gelet op de geringe visuele en fonetische overeenstemming van de conflicterende tekens, het ontbreken van begripsmatige overeenstemming en het feit dat de visuele en fonetische verschillen de overeenstemmingen tussen de tekens compenseren, waardoor de twee tekens in de ogen van het relevante publiek voldoende verschillen, moet worden geconcludeerd dat de kamer van beroep, ondanks de identieke aard van de betrokken waren, terecht heeft geoordeeld dat er geen gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestond.