Gepubliceerd op donderdag 19 maart 2026
IEFBE 4134
Gerecht EU - Tribunal UE ||
14 jan 2026
Gerecht EU - Tribunal UE 14 jan 2026, IEFBE 4134; ECLI:EU:T:2026:3 (Schönegger Käse-Alm GmbH tegen EUIPO en Jumpseat3D plus Germany GmbH), https://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-verwerpt-procedurele-bezwaren-tegen-nieuwe-vervallenverklaringsbeslissing-over-het-merk-rebell

Gerecht verwerpt procedurele bezwaren tegen nieuwe vervallenverklaringsbeslissing over het merk Rebell

Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23357; IEFbe 4134; ECLI:EU:T:2026:3 (Schönegger Käse-Alm GmbH tegen EUIPO en Jumpseat3D plus Germany GmbH). In dit arrest staat niet de inhoudelijke beoordeling van het normale gebruik van het Uniewoordmerk Rebell centraal, maar de vraag of de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO de procedure na een eerdere vernietiging door het Gerecht op juiste wijze had voortgezet. Het merk Rebell was in 2005 ingeschreven voor melk en zuivelproducten in klasse 29. In 2020 had Jumpseat3D plus Germany een verzoek tot vervallenverklaring ingediend wegens niet-gebruik. Na een eerdere beslissing van de Kamer van Beroep had het Gerecht in 2024 die beslissing gedeeltelijk vernietigd wegens ontoereikende motivering. Vervolgens nam de Tweede Kamer van Beroep op 22 augustus 2024 een nieuwe beslissing, waarin zij de beslissing van de annuleringsafdeling gedeeltelijk vernietigde, de merkhouder vervallen verklaarde voor een groot deel van de betrokken zuivelwaren, en het merk alleen in stand liet voor “kaas” en “producten op basis van kaas”. Schönegger Käse-Alm kwam daartegen op met drie procedurele middelen, die alle verband hielden met het feit dat tegen Jumpseat3D plus Germany inmiddels in Duitsland een insolventieprocedure was geopend.

Het Gerecht verwerpt al die middelen. Ten eerste oordeelt het dat het EUIPO met de nieuwe beslissing correct uitvoering heeft gegeven aan het eerdere arrest van het Gerecht in de zin van artikel 72, lid 6, UMVo: de Kamer van Beroep heeft de motivering aangevuld die in de eerdere beslissing ontbrak. Ook is geen sprake van een verplichte onderbreking van de procedure op grond van artikel 106, lid 1, onder b, UMVo in samenhang met artikel 72, lid 1, Gedelegeerde Verordening 2018/625, omdat die regeling alleen ziet op gevallen waarin de aanvrager of merkhouder om juridische redenen die voortvloeien uit een procedure tegen zijn vermogen de procedure niet kan voortzetten. In dit geval betrof de insolventie echter niet de merkhouder, maar de verzoeker tot vervallenverklaring. Ten tweede faalt het beroep op artikel 63, lid 1, UMVo. Jumpseat3D plus Germany had op het moment van indiening van het vervallenverzoek en het instellen van beroep bij de Kamer van Beroep onbetwist procesbevoegdheid. Bovendien was de Kamer van Beroep vóór haar beslissing niet formeel op de hoogte gebracht van de insolventieprocedure of van de vermeende gevolgen daarvan. Het Gerecht benadrukt dat de rechtmatigheid van de bestreden beslissing moet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Kamer van Beroep op dat moment beschikte. Ten derde faalt ook het beroep op artikel 60, lid 1, Gedelegeerde Verordening 2018/625 over kennisgevingen aan vertegenwoordigers. De door Schönegger gestelde onregelmatigheden bij kennisgevingen aan Jumpseat3D plus Germany raken alleen de rechten van die partij zelf; Schönegger kan zich daarop daarom niet beroepen. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat eventuele kennisgevingsgebreken de inhoud van de bestreden beslissing hadden kunnen beïnvloeden. Het beroep wordt daarom volledig afgewezen. Omdat het EUIPO alleen om een proceskostenveroordeling had verzocht voor het geval een mondelinge behandeling zou plaatsvinden en die niet heeft plaatsgevonden, draagt iedere partij haar eigen kosten.

21       In het onderhavige geval dient te worden opgemerkt dat het Gerecht van de Europese Unie bij arrest Rebell (T-161/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:218) de in punt 9 bedoelde beslissing heeft vernietigd op grond van een kwestie van openbare orde die het Gerecht ambtshalve heeft aangevoerd, namelijk onvoldoende motivering. Aangezien er geen beroep is ingesteld, is dat arrest definitief geworden.

22       In de bestreden beslissing, die werd genomen naar aanleiding van het arrest Rebell van 10 april 2024 (T-161/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:218), heeft de Raad van Beroep met name in de punten 61 tot en met 75 van die beslissing de feiten en rechtsoverwegingen uiteengezet die volgens hem hebben geleid tot de nietigverklaring van het bestreden merk voor de in punt 3 hierboven genoemde goederen, met uitzondering van ‘kaas’ en ‘kaasproducten’, die de appellant niet betwist. Het moet daarom worden opgemerkt dat de Raad dat arrest correct heeft toegepast, waarbij niet alleen het dictum van het betreffende arrest in acht is genomen, maar ook de redenen die daartoe hebben geleid en die de noodzakelijke onderbouwing ervan vormen, aangezien deze essentieel zijn voor het vaststellen van de precieze betekenis van hetgeen in het dictum is besloten.

23       Ten tweede, wat betreft de klacht van de aanvrager dat het EUIPO artikel 106(1) van Verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 72(1) van Gedelegeerde Verordening 2018/625, heeft geschonden, volstaat het op te merken dat de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 106 van die Verordening de reikwijdte ervan beperken tot de aanvrager of houder van een EU-handelsmerk. Aangezien de door de aanvrager aangevoerde grond voor de schorsing van de procedure betrekking heeft op Jumpseat3D plus Duitsland, namelijk de partij die de intrekking verzoekt, in een procedure op grond van artikel 58(1)(a) van die Verordening, moet deze klacht als ongegrond worden afgewezen.