Gepubliceerd op woensdag 15 april 2026
IEFBE 4189
Gerecht EU - Tribunal UE ||
15 apr 2026
Gerecht EU - Tribunal UE 15 apr 2026, IEFBE 4189; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV), https://www.ie-forum.be/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-serosan-en-clenosan-geen-verwarringsgevaar-bestaat

Het Gerecht oordeelt dat tussen Serosan en CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23474; IEFbe 4189; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV). Het Gerecht heeft het beroep van Ionfarma verworpen en daarmee het besluit van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 22 mei 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Serosan en het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vision Healthcare had Serosan aangevraagd voor een reeks waren in klasse 5, waaronder voedingssupplementen, kruidenpreparaten, vitaminen, sedativa, tonica, probiotica, eiwit- en enzymsupplementen en plantaardige extracten voor farmaceutische doeleinden. Ionfarma stelde oppositie in op basis van het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN voor “soaps, cosmetics” in klasse 3; op verzoek van Vision Healthcare leverde Ionfarma tevens bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De oppositieafdeling wees de oppositie af, waarna ook de Kamer van Beroep het beroep verwierp. Het Gerecht stelde voorop dat het relevante territorium Spanje is en dat het relevante publiek bestaat uit afnemers van zowel de klasse 3-waren als de klasse 5-waren; voor de waren van het oudere merk geldt een gemiddeld aandachtsniveau en voor de gezondheidsgerelateerde waren van het aangevraagde merk een hoog aandachtsniveau, zodat het relevante aandachtsniveau varieert van gemiddeld tot hoog. Voor de vergelijking van de waren sloot het Gerecht zich aan bij de door de Kamer van Beroep uit proceseconomische redenen gekozen, voor Ionfarma meest gunstige aanname dat de betrokken waren identiek zijn, juist omdat de Kamer van Beroep de warenvergelijking niet inhoudelijk had uitgewerkt en het niet aan het Gerecht is om dat voor het eerst zelf te doen.

Bij de tekenvergelijking bevestigde het Gerecht dat Serosan en CLENOSAN door het Spaanse publiek als fantasiewoorden zonder duidelijke betekenis voor de betrokken waren zullen worden opgevat, zodat de begripsmatige vergelijking neutraal of onmogelijk is en het onderscheidend vermogen van het oudere merk gemiddeld is. Het Gerecht verwierp vervolgens Ionfarma’s betoog dat de tekens visueel en fonetisch sterk overeenstemmen. Dat beide tekens evenveel letters tellen en vijf letters op dezelfde positie delen, is op zichzelf niet beslissend; doorslaggevend is de totaalindruk, waarin de verschillen in het begin en midden van de tekens zwaar wegen. Daarom mocht de Kamer van Beroep aannemen dat de visuele overeenstemming beneden gemiddeld is, met name door het duidelijke verschil tussen de begincombinatie “cl” en de beginletter “s”, en door het verschil tussen “n” en “r” in het midden van de tekens. Ook de fonetische overeenstemming is beneden gemiddeld: de tekens vallen slechts samen in één van de drie lettergrepen, namelijk “san”; de voorafgaande delen “cle”/“se” en “no”/“ro” verschillen hoorbaar, terwijl het gelijke klinkerpatroon en het gemeenschappelijke slotelement “osan” onvoldoende zijn om die verschillen weg te nemen. Tegen die achtergrond faalde ook het beroep op het interdependentie-beginsel: ook indien de waren identiek worden verondersteld, leidt dat niet automatisch tot verwarringsgevaar, omdat ook voldoende overeenstemming tussen de tekens vereist blijft en die hier ontbreekt. Om dezelfde reden wees het Gerecht het betoog af dat Serosan als variant, ontwikkeling of sublijn van CLENOSAN zou worden opgevat; de enkele aanwezigheid van het gemeenschappelijke slotelement “osan” volstaat niet om een risico van associatie met dezelfde commerciële herkomst aan te nemen. Het Gerecht verklaarde het enige middel daarom ongegrond, handhaafde het oordeel dat geen verwarringsgevaar en evenmin associatiegevaar bestaat, en besliste ten slotte dat Ionfarma haar eigen kosten en die van Vision Healthcare moet dragen, terwijl EUIPO zijn eigen kosten draagt omdat het alleen voor het geval van een mondelinge behandeling om een kostenveroordeling had verzocht.

51      In the first place, the applicant alleges that ‘any reference [was] omitted [by the Board of Appeal] to the relevance of the [p]rinciple of [i]nterdependence’.

52      However, it can be seen from paragraphs 66 to 68 and 70 of the contested decision that the Board of Appeal did refer to the principle of interdependence in the context of its assessment. It was at the end of that assessment that the Board found that there was no likelihood of confusion, even when the goods were assumed to be identical.

53      In the second place, the applicant disputes the Board of Appeal’s application of the principle of interdependence. It maintains that the fact that the goods in question are identical is sufficient to warrant a finding of a likelihood of confusion.

54      It is true that, as recalled in paragraph 49 above, a lesser degree of similarity between the signs may be offset by a greater degree of similarity between the goods. However, it must be borne in mind, as EUIPO observes and as is referred to in paragraph 67 of the contested decision, that the likelihood of confusion must be assessed globally, taking into account the various relevant factors. Similarity of the goods is only one factor among others. Therefore, the applicant’s argument that, where goods are identical, there is automatically a likelihood of confusion is legally incorrect (see, to that effect, judgment of 12 June 2019, EOS Deutscher Inkasso-Dienst v EUIPO – IOS Finance EFC (IOS FINANCE), T‑583/17, not published, EU:T:2019:403, paragraph 110).

55      Furthermore, according to the case-law, a likelihood of confusion presupposes both that the two marks are identical or similar and that the goods or services which they cover are identical or similar. Those conditions are cumulative (see judgment of 22 January 2009, Commercy v OHIM – easyGroup IP Licensing (easyHotel), T‑316/07, EU:T:2009:14, paragraph 42 and the case-law cited). As the conditions are cumulative, it is obvious that the mere fact that goods are identical is, in any event, insufficient to lead to a finding of a likelihood of confusion.

56      Therefore, the Board of Appeal did not infringe the principle of interdependence simply by finding that there was no likelihood of confusion despite assuming that the goods in question were identical.

57      In the third place, the applicant submits that the goods covered by the mark applied for could be perceived as a variation, development or sub-line of the goods covered by the earlier mark and therefore that they could be thought to come from the same or economically linked undertakings. It bases its arguments on the common final element of the two marks at issue, claiming that the use of identical suffixes within the same brand family is a common practice across various sectors.

58      In that regard, under Article 8(1)(b) of Regulation 2017/1001, the likelihood of confusion includes the likelihood of association with the earlier mark. It therefore also covers situations in which the public does not merely confuse the marks directly but attributes the same commercial origin to them (judgment of 27 April 2022, Vintae Luxury Wine Specialists v EUIPO – R. Lopez de Heredia Viña Tondonia (LOPEZ DE HARO), T‑210/21, not published, EU:T:2022:244, paragraph 53).

59      The applicant does not explain how the common final element ‘osan’ would, in the present case, be perceived as a commercial practice suggesting sub-lines emanating from the same commercial origin. The mere presence of common final elements is insufficient to lead to a finding of a risk of association.