IEFBE 3116

HvJ EU beantwoordt prejudiciële vragen over interpretatie Verhuurrichtlijn

HvJ EU 8 september 2020, IEF 19407, IEFbe 3116; ECLI:EU:C:2020:677 (Recorded Artists tegen Phonographic Performance) Licentievergoedingen muziek. Zie eerder [IEF 18561]. De High Court van Ierland heeft prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU inzake de uitlegging van artikel 8 van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom. Nationale wetgeving bepaalt dat de gebruiker één licentievergoeding betaalt aan een licentieverlenende instantie, maar dat het geïnde bedrag wordt verdeeld tussen de producent en de uitvoerende kunstenaars. Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG verzet zich ertegen dat een lidstaat het recht op één enkele billijke vergoeding beperkt ten aanzien van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen en dat de producent van het fonogram in kwestie een vergoeding ontvangt, zonder deze te moeten delen met de uitvoerend kunstenaar die aan dat fonogram heeft bijgedragen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen, waarbij het HvJ EU de eerste twee vragen gezamenlijk behandelt:

1) Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom moet, in het licht van artikel 4, lid 1, en artikel 15, lid 1, van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) inzake uitvoeringen en fonogrammen, aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat bij de omzetting in zijn wetgeving van de term „betrokken uitvoerende kunstenaars” die in artikel 8, lid 2, van die richtlijn is opgenomen en waarmee de kunstenaars worden aangeduid die recht hebben op een deel van de daarin bedoelde enkele billijke vergoeding, kunstenaars uitsluit die onderdaan zijn van staten die niet tot de Europese Economische Ruimte (EER) behoren, met als enige uitzondering kunstenaars die hun woon- of verblijfplaats in de EER hebben en die welke hun bijdrage aan het fonogram in de EER hebben geleverd.

2) Artikel 15, lid 3, van het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 moeten bij de huidige stand van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat voorbehouden waarvan door derde staten krachtens artikel 15, lid 3, van dat verdrag kennis is gegeven en die tot gevolg hebben dat het in artikel 15, lid 1, van het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen neergelegde recht op één enkele billijke vergoeding op hun grondgebied wordt beperkt, er in de Europese Unie niet toe leiden dat het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 neergelegde recht ten aanzien van de onderdanen van die derde staten wordt beperkt. Dergelijke beperkingen kunnen evenwel door de Uniewetgever worden ingevoerd mits zij voldoen aan de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 verzet zich er dus tegen dat een lidstaat het recht op één enkele billijke vergoeding beperkt ten aanzien van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van die derde staten.

3) Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het recht op één enkele billijke vergoeding waarin deze bepaling voorziet op zodanige wijze wordt beperkt dat enkel de producent van het fonogram in kwestie een vergoeding ontvangt, zonder deze te moeten delen met de uitvoerend kunstenaar die aan dat fonogram heeft bijgedragen.