IEFBE 3487

HvJ EU: Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting

HvJ EU 16 juni 2022, IT 3985, IEFbe 3487; ECLI:EU:C:2022:484 (Toshiba tegen Europese Commissie) De Europese Commissie stelde vast dat Toshiba inbreuk had gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 EER-overeenkomst door haar deelname aan een mededingingsregeling inzake optische diskdrives (odd’s). Zij zou haar gedrag onderling hebben afgestemd met andere partijen. Hiervoor legde de Europese Commissie in haar besluit een boete op aan Toshiba. Toshiba heeft hiertegen vervolgens beroep ingesteld dat primair strekte tot nietigverklaring van het besluit en subsidiair tot verlaging van de opgelegde geldboete. Het Gerecht heeft het beroep in zijn geheel verworpen. Hierop is Toshiba naar het HvJ EU gegaan.

Er wordt in deze zaak onder meer door het Hof geoordeeld dat het Gerecht niet had kunnen vaststellen dat de Commissie de rechten van de verdediging van Toshiba niet had geschonden zonder hierbij blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting. Daarnaast had het Gerecht geoordeeld dat de Commissie voldaan had aan haar verplichting het besluit te motiveren door te oordelen dat Toshiba niet alleen had deelgenomen aan één voortdurende inbreuk maar ook aan meerdere afzonderlijke inbreuken. Het Hof oordeelt dat het Gerecht hiermee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het bestreden arrest dient te worden vernietigd en het bestreden arrest van de Commissie dient nietig te worden verklaard.

89 Hieruit volgt dat het Gerecht zijn oordeel dat de Commissie de rechten van verdediging van rekwirantes niet had geschonden, niet kon vaststellen zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de mededeling van punten van bezwaar niet de belangrijkste elementen bevatte die met betrekking tot deze afzonderlijke inbreuken tegen hen werden aangevoerd, in het bijzonder de beoogde kwalificatie van de hun verweten gedragingen.

99 Hieruit volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie met haar vaststelling dat rekwirantes niet alleen hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk maar ook aan meerdere afzonderlijke inbreuken, had voldaan aan haar verplichting om het litigieuze besluit te motiveren.