IEFBE 2959

HvJ EU: hostingprovider kan gelast worden informatie te verwijderen

Facebook

HvJ EU 3 oktober 2019, IT 2887, IEFbe 2959; ECLI:EU:V:2019:821 (Glawischnig-Piesczek tegen Facebook) Naar aanleiding van een artikel van een Oostenrijks online-magazine, dat via een persoonlijk Facebook-account door een gebruiker is gedeeld en waarin het beleid van “die Grünen“ werd afgekeurd, vordert Glawschig-Piesczek (fractievoorzitter voor “die Grünen“ in de Oostenrijkse Nationalrat) verwijdering van het commentaar en daarmee overeenstemmende uitlatingen door Facebook, omdat het haar eer aantast. Overeenkomstig de richtlijn inzake elektronische handel is het verboden om de hostingprovider een algemene verplichting op te leggen om toezicht te houden op door hen opgeslagen informatie of actief naar aanwijzingen voor onwettige activiteiten te zoeken. Niet verboden is het om een hostingprovider te gelasten informatie te verwijderen dan wel de toegang daartoe onmogelijk te maken, die: (i)  identiek is aan eerder onwettig verklaarde informatie, (ii) inhoudelijk overeenstemt met eerder onwettig verklaarde informatie, mits het toezicht op en het onderzoek van de informatie op grond van een dergelijk bevel is beperkt tot boodschap overbrengende informatie waarvan de inhoud in wezen gelijk blijft aan de onwettig verklaarde inhoud, (iii) wereldwijd toegankelijk is, behoudens de grenzen van het relevante internationale recht waarmee de lidstaten rekening moeten houden.

Prejudiciële antwoorden:

21      Met zijn eerste en zijn tweede prejudiciële vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2000/31, in het bijzonder artikel 15, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat een rechterlijke instantie van een lidstaat:
–        een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, ongeacht wie om opslag van die informatie heeft verzocht;
–        een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk overeenstemt met informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, en
–        aan een dergelijk bevel wereldwijde werking verleent.

[…]

53      Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2000/31, in het bijzonder artikel 15, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staat dat een rechterlijke instantie van een lidstaat:
–        een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, ongeacht wie om opslag van die informatie heeft verzocht;
–        een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk overeenstemt met informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, op voorwaarde dat het toezicht op en het onderzoek van de informatie waarop een dergelijk bevel betrekking heeft, beperkt is tot informatie waarmee een boodschap wordt overgebracht waarvan de inhoud in wezen ongewijzigd blijft ten opzichte van de onwettig verklaarde inhoud, en die de specifiek in dat bevel genoemde gegevens bevat, en dat de verschillen tussen de formulering van die overeenstemmende inhoud en de formulering van de eerder onwettig verklaarde inhoud niet van dien aard zijn dat de betrokken hostingprovider verplicht is die inhoud autonoom te beoordelen, en
–        wereldwijd de in het bevel bedoelde informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, binnen de grenzen van het relevante internationale recht waarmee de lidstaten rekening moeten houden.

54      Het antwoord op de eerste en de tweede vraag maakt onderzoek van de derde vraag overbodig.

Prejudiciële vragen:

„1)      Staat artikel 15, lid 1, van [richtlijn 2000/31] er algemeen gesproken aan in de weg dat één van de hieronder vermelde verplichtingen wordt opgelegd aan een hostingprovider die niet prompt heeft gehandeld om bepaalde onwettige informatie te verwijderen, welke verplichting erin bestaat dat hij niet alleen die onwettige informatie in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), van [die] richtlijn verwijdert, maar ook andere identieke informatie
–        wereldwijd,
–        in de betrokken lidstaat,
–        van de desbetreffende gebruiker wereldwijd, of
–        van de desbetreffende gebruiker in de betrokken lidstaat?

2)      Voor zover de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: geldt dit telkens ook voor inhoudelijk overeenstemmende informatie?

3)      Geldt dit ook voor inhoudelijk overeenstemmende informatie, zodra de exploitant kennis heeft gekregen van deze omstandigheid?”