IEFBE 3459

HvJ EU over verzoeken in kort geding wegens octrooi-inbreuk

HvJ EU 28 april 2022, IEF 20744, IEFbe 3459; ECLI:EU:C:2022:309 (Phoenix tegen Harting) Phoenix Contact heeft een octrooiaanvraag ingediend voor een aansluitstekker met een beschermende geleiderbrug in 2013 en in 2020 is het octrooi verleend in onder andere Duitsland. Vervolgens heeft Phoenix Harting verboden om gebruik te maken van het octrooi bij de Duitse kortgedingrechter, waarna Harting oppositie heeft ingesteld jegens het octrooi bij het EOB. Het HvJ EU heeft beslist dat artikel 9, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke verzoeken in kort geding wegens octrooi-inbreuk in beginsel moeten worden afgewezen wanneer de geldigheid van het betrokken octrooi niet op zijn minst is bevestigd door een beslissing in eerste aanleg die is gegeven in een oppositie- of nietigheidsprocedure.

 

 

51. Zoals de verwijzende rechter benadrukt, bevat de Duitse wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, in casu geen enkele bepaling die het uitvaardigen van een voorlopig bevel om een octrooi-inbreuk te verbieden, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat over dit octrooi een rechterlijke beslissing is gegeven na een procedure tot betwisting van het octrooi, zodat deze wettelijke regeling volledig in overeenstemming is met richtlijn 2004/48.

54. Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 9, lid 1, van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke verzoeken in kort geding wegens octrooi-inbreuk in beginsel moeten worden afgewezen wanneer de geldigheid van het betrokken octrooi niet op zijn minst is bevestigd door een beslissing in eerste aanleg die is gegeven in een oppositie- of nietigheidsprocedure.