IEFBE 3220

HvJ EU verklaart Tinnus Enterprises niet-ontvankelijk

HvJ EU  5 mei 2021, IEF 19961, IEFbe 3220; ECLI:EU:C:2021:357 (Tinnus Entreprises tegen EUIPO en Koopman International) Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft Tinnus Enterprises niet-ontvankelijk verklaard in haar appel tegen de uitspraak van het Gerecht van de Europese Unie van 18 november 2020 [IEF 19589], waarin werd geoordeeld dat zowel de Invalidity Division als de Boards of Appeal van het EUIPO terecht de ongeldigheid hebben uitgesproken van de modelregistratie van Tinnus voor een waterballonvuller (fluid distribution equipment), omdat alle kenmerken van het model uitsluitend door de technische functie zijn bepaald. Tinnus heeft naar het inzicht van het Hof onvoldoende aangetoond dat in de hogere voorziening een vraag aan de orde is die van belang is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het recht van de Unie.
Vastgesteld wordt dat Tinnus zelf heeft erkend dat de vier afzonderlijke elementen van de ballonvuller – die waren beoordeeld als volledig technisch bepaald - wel degelijk de kenmerken van het uiterlijk vormden. Een verder nieuwheidsonderzoek was dus niet nodig. Voor zover werd gesteld dat de criteria van het arrest van 8 maart 2018, DOCERAM [IEF 17542] onjuist zouden zijn toegepast, heeft Tinnus nagelaten aan te geven welke criteria volgens haar onjuist zijn toegepast. Bovendien is niet door Tinnus aangegeven of er überhaupt een vraagstuk speelt dat van belang is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het recht van de Unie. Het verzoek om verdere behandeling wordt daarom afgewezen.
 

15      In the present case, it must be stated at the outset that, although the appellant relies on the error of law allegedly committed by the General Court which, in its view, raises an important issue, it does not provide the slightest indication of the specific reasons for which that issue should be significant with respect to the unity, consistency or development of EU law.

18      In any event, it must be pointed out that that line of argument is the result of a truncated reading of the judgment under appeal. The General Court found, in paragraph 34 of the judgment under appeal, that, since the Board of Appeal had found that all the features of appearance of the product concerned were dictated by its technical function and had therefore concluded that the contested design was invalid, it was not necessary for it to examine its novelty and individual character. In addition, it pointed out, in paragraph 48 of the judgment under appeal, that the appellant itself had agreed that the four individual elements of the product concerned did indeed constitute the features of its appearance.

19      As regards the argument summarised in paragraph 10 of the present order, in so far as it alleges misapplication of the criteria set out in the judgment of 8 March 2018, DOCERAM (C 395/16, EU:C:2018:172), it must be noted that the appellant does not specify the criteria which it claims are incorrectly applied, or the paragraphs of that judgment which have been disregarded in that regard, and does not demonstrate, in accordance with the requirements set out in paragraph 13 of the present order, how that failure, assuming it were established, would raise an issue that is significant with respect to the unity, consistency or development of EU law. In so far as the appellant submits that the concept of ‘features of appearance of a product’ requires a uniform interpretation within the European Union, it must be noted that it does not set out the specific reasons capable of demonstrating that the Court’s position in that regard is significant with regard to the unity, consistency or development of EU law.