IEFBE 3126

HvJ EU wijst hogere voorziening van Edison af

HvJ EU 16 september 2020, IEF 19453, IEFbe 3126; ECLI:EU:C:2020:714 (Edison tegen EUIPO) Merkenrecht. Edison heeft bij het EUIPO een Uniemerkaanvraag ingediend voor het beeldmerk dat het woordelement EDISON bevat. Na de inschrijving heeft Edison het EUIPO verzocht om in te schrijven dat zij afstand doet van een deel van de waren van klasse 4 van de classificatie van Nice waarvoor het merk was ingeschreven. Edison stelde voor om de oorspronkelijk aangewezen waren van die klasse te herdefiniëren. Het EUIPO weigerde, omdat dit zou leiden tot uitbreiding van de lijst van waren waarop de inschrijving van het Uniebeeldmerk EDISON betrekking op had. Het Gerecht heeft het beroep van Edison verworpen. Edison betoogt dat het Gerecht de draagwijdte van de termen ‘verlichtingsstoffen’, ‘brandstoffen (waaronder motorbenzine)’ en ‘motorbrandstoffen’ in de zin van de achtste editie van de classificatie van Nice onjuist heeft beoordeeld, waardoor het ‘elektrische energie’ ten onrechte heeft uitgesloten van klasse 4 ervan. Volgens Edison heeft het Gerecht alleen de 'ontologische' kenmerken van elektrische energie in aanmerking genomen en is het voorbijgegaan aan de 'functionele' kenmerken ervan. De hogere voorziening wordt afgewezen.

38. Zelfs al zou dit betoog aldus kunnen worden opgevat dat het er in wezen toe strekt om de methode ter discussie te stellen die het Gerecht heeft gevolgd om te beoordelen of elektriciteit onder de termen „verlichtingsstoffen”, „brandstoffen (waaronder motorbenzine)” en „motorbrandstoffen” valt, dient in elk geval te worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 38 tot en met 56 van het bestreden arrest de draagwijdte van deze termen heeft onderzocht op basis van een letterlijke beoordeling, waarvan het in de punten 29 tot en met 37 van dat arrest de inhoud en de draagwijdte gelet op de rechtspraak van het Hof heeft uiteengezet.

39. Vastgesteld moet worden dat Edison geen kritiek uit op de toepassing en de uitlegging die het Gerecht aan deze rechtspraak heeft gegeven en, a fortiori, niet aantoont dat de door het Gerecht in die punten gehanteerde benadering blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

40. Ter ondersteuning van de door haar bepleite „functionele benadering” voert Edison immers enkel de beoordelingscriteria aan die advocaat-generaal Bot heeft ontwikkeld in zijn conclusie in de zaak Chartered Institute of Patent Attorneys (C‑307/10, EU:C:2012:361, punten 74 en 75).

41. Zoals het Gerecht terecht heeft vastgesteld in punt 29 van het bestreden arrest, blijkt echter uit punt 61 van het arrest van 19 juni 2012, Chartered Institute of Patent Attorneys (C‑307/10, EU:C:2012:361), dat de aanvrager in zijn merkaanvraag de waren waarvoor de merkbescherming wordt gevraagd voldoende duidelijk en nauwkeurig moet omschrijven opdat de bevoegde autoriteiten en de marktdeelnemers louter op basis daarvan de omvang van de gevraagde bescherming kunnen bepalen. Daarentegen heeft het Hof in dat arrest niet de benadering gevolgd die advocaat-generaal Bot in punt 74 van zijn conclusie in die zaak had voorgesteld en die erin bestond dat de marktdeelnemers „de wezenlijke objectieve kenmerken en eigenschappen van de bedoelde waren en diensten” nauwkeurig moeten kunnen identificeren.

69. Gelet op alle voorgaande overwegingen moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.