IEFBE 2963

Inbreuk op Jaguar en Land Rover door gebruik beeld- en woord-merk

Voorzitter van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel 27 juni 2019, IEF 1874, IEFbe 2963; A/18/02888, (JLR tegen Minerva) JLR is een Britse producent van gezin-, sport-, en terreinwagens onder de merken Jaguar en Land Rover. JLR is titularis van een groot aantal merken die zijn ingeschreven voor voertuigen. In het bijzonder hebben deze betrekking op het woord Jaguar en de afbeelding van een springende jaguar. Minerva is een Belgische groothandelaar van fietsen en fietsuitrustingen, die actief is in een vijftiental landen. Minerva heeft fietsen op de markt gebracht onder het teken Jaguar. Het teken bestaat uit het woord Jaguar én het beeld van een sluipende panter, waarvan door Minerva oorspronkelijk was toegezegd dat het niet zou worden gebruikt. Het gebruik van het gewraakte complexe teken - directe combinatie van het woord Jaguar en het beeld van een jaguar -  door Minerva vormt in het economische verkeer een schending van de merkenrechten van JLR. Dit omdat sprake is van een onderscheidend vermogen en verwarringsgevaar bij het relevante publiek.

  1. […] Volgens JLR wordt het beeld van een katachtige (poema, panter, kat, jaguar, tijger e.d.) echter heel vaak gebruikt in merken en heeft het als zodanig heeft geen onderscheidend vermogen en is het niet uniek. Leader wijst in dit verband op het bestaan van 7612 merkinschrijvingen die een "katachtig" beeldelement omvatten, alsook van meer dan 1L0 merkinschrijvingen die het woordelement "JAGUAR" omvatten.
    Slechts een beperkt aantal van de aangebrachte merkinschrijvingen heeft betrekking op (motor)voertuigen in klasse 12 en automobielen in het bijzonder. En slechts een vijftal van die merken heeft betrekking op de combinatie van een katachtige met een woord doch geen enkel heeft de combinatie kat/JAGUAR. Bovendien geeft de lijst geen enkele informatie over het effectieve gebruik van de betreffende merken op de markt, zowel naar territorium, naar tijd als naar volume. Hierover brengt Leader geen enkele informatie aan. Op grond van een lijst van in een register ingeschreven merken alleen kan men moeilijk beoordelen of de consument een bepaald teken wel of niet als uniek of sterk onderscheidend zal beschouwen.
    De rechtbank gaat bijgevolg uit van een groot onderscheidend vermogen, wat impliceert dat de kans groter is dat het complexe merk bij het relevante publiek van consumenten van fietsen in gedachten komt wanneer het met het complexe teken in aanraking komt. 
  2. […] Bovendien zorgt de relatief grote bekendheid van het complexe merk voor (alomtegenwoordige) auto's ervoor dat die consument regelmatig in aanraking zal komen met het merk en dat het leggen van een verband tussen merk en teken des te sneller kan worden aanvaard. Aangezien de bekendheid die het complexe merk verkregen heeft, verder reikt dan het doelpubliek van auto's, is nog meer aannemelijk dat het doelpubliek van fietsen een samenhang tussen de conflicterende kan zien.
  3. De som van bovenstaande elementen laat toe om te besluiten dat het betrokken publiek een verband zal leggen, in die zin dat het publiek zal denken aan het complexe merk bij het zien van de fietsen die voorzien zijn van het complexe teken. 
  4. […] Bijgevolg maken verwerende partijen zich schuldig aan een inbreuk op de artikelen 2.20.2. sub c BVIE.

[…]

  1. JLR voert verschillende omstandigheden aan die volgens haar wijzen op parasitisme' De omstandigheid dat verwerende partijen het complexe teken gebruiken, is er 66n van. Als andere omstandigheid haalt JLR onder meer aan dat Minerva en Leader de inhoud van de co-existentieovereenkomsten schenden en dat zij die schending voortzetten. Een beoordeling van de co-existentieovereenkomst, die bovendien niet beperkt is tot het gebruik van merken maar elk gebruik van de kwestieuze tekens betreft, is bijgevolg wel degelijk aan de orde' Al deze omstandigheden dienen in hun geheel beoordeeld te worden, zodat het passend is om de zaak ook wat dit middel betreft, naar de rol te verzenden, in afwachting van de gevraagde duidelijkheid over de co-existentieovereenkomst (cfr. supra titel 3)'