IEFBE 2308

Inbreukverbod DOTAREM afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang

Hof van beroep Brussel 21 februari 2017, rechtbank van koophandel 5 juli 2016 en vzr. rechtbank van koophandel Brussel 12 april 2016, IEFbe 2308 (Guerbet tegen Bayer). Partijen zijn producenten van geneesmiddelen. Guerbet is houdster van EP’515 en verhandelt een contrastmiddel onder het merk DOTAREM. Bayer verhandelt het middel DOTAGRAPH, een generieke versie van DOTAREM. Guerbet vordert een inbreukverbod in kort geding. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 april 2016 werden de voorlopige voorzieningen strekkende tot het verbieden van het in de handel brengen van DOTAGRAPH afgewezen. In een latere uitspraak van 5 juli 2016 wordt het beslag inzake namaak opgeheven en wordt de deskundige bevolen om de documentatie en informatiedragers terug te bezorgen. Het hof bevestigt dat Guerbet nooit een bodemprocedure aanhangig gemaakt heeft. Guerbet kan zich niet op urgentie beroepen: nu de zaak op 24 oktober 2016 in beraad genomen werd, is te lang gewacht is met het starten van een procedure. Niet-ontvankelijkheidverklaring vordering Guerbet.

17. Bayer laat gelden dat eerste appellante, Guerbet, nooit Is overgegaan tot het dagvaarden van Bayer voor de rechtbank in een procedure ten gronde.

Het hof stelt vast dat dit door Guerbet niet wordt tegengesproken.

Hoewel Guerbet in de procedure van beslag inzake namaak, die een aanvang nam op 11 maart 2016 met de neerlegging van een verzoekschrift ex artikel1369bis § 1 e.v. Ger.W., en in de onderhavige kort geding procedure, aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 maart 2016, onder meer aanvoert dat een Inbreuk op het octrooi dat zij inroept niet redelijkerwijze kan worden betwist, heeft zij het, minstens tot 24 oktober 2016, datum waarop deze zaak gepleit en in beraad genomen werd, niet nuttig geacht een procedure ten gronde aanhangig te maken tegen Bayer.

Het hof oordeelt op grond van de voormelde vaststelling dat Guerbet zich thans (en ook reeds op het ogenblik waarop deze zaak in beraad genomen werd, te weten 24 oktober 2016) niet meer op urgentie kan (of kon) beroepen. Zij heeft Immers, alle omstandigheden van de zaak in acht genomen, te lang gewacht om een procedure tegen Bayer aanhangig te maken bij de rechter ten gronde.

Ten onrechte meent Guerbet haar stilzitten wat het inleiden van een procedure ten gronde betreft, te kunnen rechtvaardigen door te verwijzen naar de melding vanwege Bayer van de onbeschlkbaarheid van haar product en naar het gegeven dat Guerbet niet beschikt over de beschrijving zoals gevorderd bij haar verzoekschrift beslag Inzake namaak en aanvankelijk toegestaan door de Voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel (beschrijvende maatregelen) (cfr. het feiten relaas)

Deze argumenten sporen namelijk niet met hetgeen Guerbet voor het overige aanvoert in dit kort geding.

Guerbet voert immers aan dat er urgentie is omdat Bayer de onbeschikbaarheid die zij heeft gemeld, op elk moment kan intrekken ( randnummer 22 van de conclusie van Guerbet van 19 september 2016). Hoe dan ook, indien Guerbet dit daadwerkelijk vreesde, had zij ook in een procedure zoals In kort geding kunnen optreden tegen deze (beweerde) dreigende inbreuk.

Guerbet voert aan dat er een voldoende schijn van rechten bestaat om een voorlopig inbreukverbod in kort geding te krijgen. Meer zelfs, volgens Guerbet is het, gelet op de prijzen en terugbetallngsmodaliteiten 'onmogelijk' dat Bayer en/of haar toeleverancier een andere en dus duurdere werkwijze gebruikt dan die van EP 515 (randnummer 50 van haar conclusie van 19 september 2016). Indien dit Inderdaad het geval is, dan kan het niet beschikken over een deskundig verslag door de intrekking van het oorspronkelijk toegestane beslag inzake namaak, voor appellanten geen gegronde reden zijn om geen initiatief ten gronde te nemen.

18. Het hof oordeelt dat bij gebrek aan urgentie op 24 oktober 2016 en a fortiori op de datum waar het hof uitspraak doet, de vordering van Guerbet ongegrond is.