IEFBE 1975

Noot Hugenholtz onder Reprobel

HvJ EU Reprobel, NJ 2016/370, p. 4962-4964,m.nt. Hugenholtz. In dit arrest beantwoordt het Hof van Justitie [IEF 15411] vragen van uitleg over het ‘reprorecht’, de auteursrechtelijke beperking en vergoeding voor het fotokopiëren (‘reprograferen’) van werken. In Nederland is het reprorecht geregeld in de art. 16h-16m van de Auteurswet. Op grond van deze bepalingen is de ‘reprografische verveelvoudiging’ van artikelen of kleine gedeelten van boeken (of van gehele boeken indien deze niet meer in de handel zijn) toegestaan, ‘mits voor deze verveelvoudiging een vergoeding wordt betaald’ ( art. 16h lid 1 Aw). Anders dan de thuiskopieregeling is deze wettelijke beperking van het auteursrecht niet beperkt tot het kopiëren voor privégebruik [zie daarover: noot Hugenholtz onder HR 7 maart 2014 (Staat/NORMA), HvJ EU 10 april 2014 (ACI Adam) en HvJ EU 5 maart 2015 (Copydan Båndkopi), NJ 2016/184-86 ]. In Nederland kan iedere onderneming en overheidsinstelling van deze kopi- eervrijheid gebruik maken, mits aan rechthebben- den een vergoeding wordt betaald. (...)

Naar aanleiding van de arresten Reprobel en VG Wort , die bij de uitgevers in Europa hard zijn aangekomen, is een lobby op gang gekomen om de uitgevers alsnog een eigen naburig recht inclusief aanspraak op reprorechtvergoedingen, te gunnen. Deze lobby is in zoverre succesvol gebleken dat de Europese Commissie een openbare consultatie over dit onderwerp heeft geïnitieerd (‘Public consultation on the role of publishers in the copyright value chain and on the ‘panorama exception’’, Brussel, 23 maart 2016). Of deze daadwerkelijk zal leiden tot een richtlijnvoorstel voor een naburig uitgeversrecht valt, gezien de massale kritiek die het idee van een naburig uitgeversrecht heeft uitgelokt, echter nog te bezien [zie bijv. de opinie van de European Copyright Society d.d. 15 juni 2016, www.europeancopyrightsocietydotorg.files.word-press.com/2016/06/ecs-answer-to-ec-consultation- publishers-role-june16.pdf ].

Daarbij kan de vraag worden gesteld wat tegenwoordig nog het economisch belang van het reprorecht is. Staat in deze digitale tijden van downloaden, scannen, mailen en appen het aloude fotokopiëren niet op het punt van uitsterven? Hoewel het klassieke fotokopieerapparaat inderdaad op zijn retour lijkt, gaat het blijkens het jaarverslag 2015 van de Stichting Reprorecht nog altijd om aanzienlijke bedragen; de repartitie over dat jaar besloeg meer dan € 20 miljoen. Daarbij speelt een rol dat het reprorecht blijkens de rechtspraak van het HvJ EU niet enkel betrekking heeft op ouderwets fotokopiëren, maar ook op vormen van digitale reproductie. Op grond van art. 5 lid 2(a) van de Auteursrechtrichtlijn geldt de regeling van het reprorecht voor ‘de reproductie op papier of een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert [...]’. In het arrest VG Wort/Kyocera (HvJ EU 27 juni 2013, gevoegde zaken C-457/11 t/m C-460/11) heeft het Hof verklaard dat dit ‘reproducties omvat die worden vervaardigd met behulp van een printer en een pc, in het geval waarin deze apparaten met elkaar zijn verbonden.’ Hoewel het Hof in dat arrest heeft nagelaten de reikwijdte van het reprorechtregime nauwkeurig af te bakenen, is wel duidelijk dat het reprorecht in het digitale tijdperk nog lange tijd relevant zal blijven.

P.B. Hugenholtz