IEFBE 3024
  • Benelux Gerechtshof - Cour Benelux
    16 jan 2020
  • NOVA HOLDING tegen NOVAGRAAF

NOVA HOLDING pleegt inbreuk op het merk van NOVAGRAAF

Benelux-Gerechtshof 16 januari 2020, IEF 18960, IEFbe 3024; C 2018/9 (NOVA HOLDING tegen NOVAGRAAF) Tussen partijen is in geschil of het teken van NOVA HOLDING inbreuk maakt op het oudere merk van NOVAGRAAF. De uitspraak van Canon en Lloyd Schuhfabrik Meyer is in deze zaak bevestigd. Het gaat om de vraag of het teken en het merk zodanig overeenstemmen dat daardoor bij het in aanmerking komende publiek van de desbetreffende waren en/of diensten directe of indirecte verwarring kan ontstaan – waaronder is te verstaan het gevaar dat het publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen, afkomstig zijn. Het verwarringsgevaar wordt beoordeeld aan de hand van een globale totaalindruk. Het verwarringsgevaar is des te groter naarmate de onderscheidingskracht van het oudere merk sterker is. Er wordt geoordeeld dat in deze zaak sprake is van een reëel verwarringsgevaar, waardoor de eerdere uitspraak wordt vernietigd en NOVA HOLDING dus met haar teken inbreuk maakt op het oudere merk van NOVAGRAAF.

46. De beoordeling van de vraag of een teken en een (ouder) merk zodanig overeenstemmen dat daardoor bij het in aanmerking komende publiek van de desbetreffende waren en/of diensten directe of indirecte verwarring kan ontstaan – waaronder is te verstaan het gevaar dat het publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen, afkomstig zijn – moet in aanmerking worden genomen dat het verwarringsgevaar globaal dient te worden beoordeeld volgens de algemene indruk die het teken en het (oudere) merk bij de gemiddelde consument van de betrokken waren en/of diensten, in casu het grote publiek, achterlaten, met inachtneming van de relevante omstandigheden van het geval, zoals de onderlinge samenhang tussen de in aanmerking te nemen factoren, te weten de overeenstemming van het teken en het merk en de soortgelijkheid van de betrokken waren en het onderscheidend vermogen van het (oudere) merk. Zo kan een geringe mate van soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten worden gecompenseerd door een hoge mate van overeenstemming tussen de merken, en omgekeerd (HvJ EU, Canon en Lloyd Schuhfabrik Meyer, beide reeds geciteerd).

Het verwarringsgevaar is des te groter naarmate de onderscheidingskracht van het oudere merk sterker is. Merken die hetzij van huis uit, hetzij wegens hun bekendheid op de markt, een sterke onderscheidingskracht hebben, genieten dus een ruimere bescherming dan merken met een geringe onderscheidingskracht (HvJ EU, Canon en Lloyd Schuhfabrik Meyer, beide reeds geciteerd).

Er dient sprake te zijn van reëel verwarringsgevaar.

47. Hiervoor werd geoordeeld dat de merken waarop de oppositie van NOVAGRAAF is gesteund, niet beschrijvend zijn voor de betrokken diensten, zodat van een normaal onderscheidend vermogen is uit te gaan. Naar het oordeel van het Hof is er, ondanks het verhoogde aandachtsniveau van het relevante publiek waartoe werd besloten, in het bijzonder gelet op de sterke soortgelijkheid van de diensten en de zekere mate van overeenstemming van de tekens, sprake van een (direct of indirect) verwarringsgevaar, aangezien het relevante publiek kan menen dat de sterk soortgelijke diensten afkomstig zijn van dezelfde of een economisch verbonden onderneming.

De stelling van NOVA HOLDING dat de vastgestelde overeenstemming niet voldoende is om op grond daarvan te besluiten tot het bestaan van verwarringsgevaar, is ongegrond.