IEFBE 3528

Oude Belgische reprografieregelgeving (deels) strijdig met Unierecht

Ondernemingsrechtbank Antwerpen 16 juni 2022, IEFbe 3528; rolnr. A/21/3648 (Reprobel tegen Coolblue) Reprobel, de vennootschap belast met de inning en de verdeling van reprografievergoedingen in België, vordert van Coolblue België onder meer de betaling van bepaalde reprografievergoedingen die zij in 2015 aan Coolblue had gefactureerd. De rechter oordeelt dat de oude Belgische reprografieregelgeving waarop de vorderingen van Reprobel zijn gesteund (deels) strijdig was met het Unierecht zoals onder meer bevestigd door het Hof van Justitie in zijn Hewlett-Packard Belgium arrest van 12 november 2015 in de zaak C-572/13. Aangezien Reprobel een overheidsorgaan is in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie, en het betrokken geschil dus verticaal is, heeft deze strijdigheid tot gevolg dat de betrokken Belgische reprografieregelgeving (deels) buiten toepassing moet worden gelaten. Aangezien Reprobel moet worden beschouwd als de ‘intellectuele accipiens’ van de betaalde reprografievergoedingen, heeft deze strijdigheid eveneens tot gevolg dat Reprobel gehouden is tot de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde reprografievergoedingen door Coolblue.

8. Uit de samenlezing van deze bepalingen moet worden afgeleid dat de wetgever een systeem heeft opgezet waarbij de vergoeding waar de auteurs krachtens de wet recht op hebben, worden geïnd en verdeeld door REPROBEL. De Belgische Staat heeft daarbij de bevoegdheden daar zij hierover beschikte - zij had de inning en verdeling van deze rechten perfect zelf kunnen organiseren binnen een FOD, of kunnen toevertrouwen aan een publiekrechtelijke rechtspersoon - heeft gedelegeerd aan REPROBEL. Deze laatste verdeelt de geïnde bedragen daarbij niet rechtstreeks aan de rechthebbenden, maar wel aan beheersvennootschappen die bij haar aangesloten zijn. In die zin moet worden beschouwd dat REPROBEL als overheidsorgaan moet worden beschouwd. (…)

10. Uit de conclusie dat REPROBEL een overheidsorgaan is, volgt dan ook dat artikel 5, 2., a) en b) van de Infosoc-richtlijn rechtstreeks kan worden ingeroepen tussen partijen. De vraag of deze bepaling rechtstreekse werking heeft tussen particulieren is daarom niet relevant voor de beslechting van deze zaak. De rechtbank moet zich er niet over uitspreken, laat staan een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU stellen. (…)

19. In dit geval moet REPROBEL worden beschouwd als méér dan een louter doorgeefluik. Uit haar wettelijke opdracht en de statutaire wijze waarop zij deze heeft ingevuld (“de vergoedingen uit Wettelijke Licenties [...] te innen, te beheren en te verdelen voor rekening en ten bate van Begunstigden”), blijkt dat zij méér doet dan wat een bank zou doen, namelijk onmiddellijk en integraal betaalde bedragen aan de bestemmeling laten toekomen. Vooral uit het gebruik van de term ‘beheren’ blijkt dat REPROBEL een beoordelingsmarge heeft bij het aanwenden van deze bedragen in afwachting van de afrekening met de auteur(svenootschappen) die ook niet onmiddellijk maar periodiek gebeurt. Daarenboven gebeurt de afrekening niet rechtstreeks aan de begunstigde - die op het ogenblik van de betaling nog niet eens noodzakelijk is geïdentificeerd maar onrechtstreeks aan beheersvennootschappen waar deze begunstigden bij zijn aangesloten. In die zin moet REPROBEL worden beschouwd als de ‘intellectuele accipiens’ van de betaalde vergoedingen, zodat de vordering op grond van onverschuldigde betaling tot haar kan worden gericht. Enkel REPROBEL heeft zicht over hoe de bedragen geïnd bij COOLBLUE werden verdeeld. Enkel zij kan van de aangesloten beheersvennootschappen dan ook ten onrechte uitgekeerde bedragen terugvorderen. Dat COOLBLUE mogelijkerwijze over een aansprakelijkheidsvordering ten aanzien van de Belgische staat zou beschikken, staat hier niet aan in de weg.