IEFBE 3350

Prejudiciële vragen over handhaving intellectuele-eigendomsrechten

Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) 25 november 2021, IEF 20464, IEFbe 3350; C-628/21 (Castorama Polska et Knor) via MinBuza. De rechthebbende (TB) in het hoofdgeding, is eigenaar van webwinkels met siervoorwerpen. In het kader van haar commerciële activiteit verkoopt zij machinaal door haar vervaardigde reproducties van afbeeldingen, aangeduid als A, B en C. De rechthebbende beroept zich erop dat zij de ontwerper van de door haar gereproduceerde afbeeldingen is en dat deze afbeeldingen werken in de zin van het auteursrecht zijn. Getrouwe kopieën van de afbeeldingen A en B worden zonder goedkeuring van de rechthebbende verkocht in de webwinkel en in de fysieke winkels van betrokkene nr. 1 (de vennootschap Castorama Polska), die deze kopieën aangeleverd krijgt door betrokkene nr. 2 (de vennootschap Knor). Na betrokkene nr. 1 te hebben aangemaand de inbreuken op het auteursrecht te staken heeft de rechthebbende de verwijzende rechter bij verzoekschrift van 15-12-2020 verzocht de betrokkenen te verplichten tot het verstrekken van inlichtingen over het distributiekanaal, de datum waarop de goederen voor het eerst in de fysieke winkels en de webwinkel te koop zijn aangeboden, de hoeveelheid goederen die in de fysieke winkels en de webwinkel zijn verkocht en de prijs die uit de verkoop van de goederen is verkregen.

Betrokkene nr. 1 heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en heeft verzocht in voorkomend geval een zo eng mogelijke uitspraak te doen die beperkt blijft tot werken in de zin van het auteursrecht. De betrokkene heeft zich ook beroepen op de bescherming van bedrijfsgeheimen alsook op het feit dat de rechthebbende niet heeft aangetoond dat zij ten aanzien van de verkochte goederen over vermogensrechten beschikt, aangezien de scheppingen van de geest waarop haar verzoek betrekking heeft, geen originelen zijn. Na kennisneming van het antwoord van betrokkene nr. 1 heeft de rechthebbende geen bewijsaanbiedingen verricht om het bestaan van intellectuele-eigendomsrechten aan te tonen. Betrokkene nr. 1 heeft aangevoerd dat de inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 2004/48, moet worden aangetoond en niet louter aannemelijk moet worden gemaakt.

Prejudiciële vragen:

a) Moet artikel 8, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een maatregel ter bescherming van intellectuele eigendomsrechten die slechts kan worden genomen wanneer in de betreffende procedure of in een andere procedure wordt vastgesteld dat de rechthebbende houder van een intellectuele-eigendomsrecht is? – indien de vraag onder a) ontkennend wordt beantwoord:

b) Moet artikel 8, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten aldus worden uitgelegd dat het volstaat om aannemelijk te maken dat de betreffende maatregel ziet op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht en geen bewijs van de omstandigheden daarvan moet worden geleverd, met name wanneer het verzoek om informatie over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen of diensten voorafgaat aan het onderzoek van schadevorderingen wegens een inbreuk op intellectuele eigendomsrechten?