IEFBE 2949
  • Antwerpen(afd. Antwerpen) - Anvers(div. Anvers)
    29 jul 2019
  • M.I.C.M tegen BVBA Telenet

Prejudiciële vragen over mededeling aan publiek door downloaden peer-to-peernetwerk

Ondernemingsrechtbank Antwerpen (afdeling Antwerpen) 29 juli 2019; IEF 18700, IEFbe 2949, IT&R 2877; C-597/19 (M.I.C.M tegen BVBA Telenet) Auteursrecht. Peer-to-peer. Via MinBuza: M.I.C.M is een vennootschap naar het Cypriotisch recht en is houder van bepaalde rechten op pornografische films. Via een bepaald systeem is zij in het bezit van duizenden IP-adressen die verwijzen naar klanten van de verwerende partij, de BVBA Telenet, als internetserviceprovider. Via de connecties waar deze IP-adressen naar verwijzen zouden films uit haar catalogus zijn geüpload, gebruikmakend van het BitTorrent-protocol. M.I.C.M maakt nu aanspraak op de identificatie van deze klanten door Telenet, die zich hier principieel tegen verzet. 

De BitTorrent-technologie bestaat erin dat een bestand in kleine onderdelen ('pieces') wordt gesegmenteerd, die door de gebruiker kunnen worden gedownload en weer tot het oorspronkelijke bestand worden samengesteld. Het uploadproces wordt 'seeding’ genoemd. Zo kan het door vele gebruikers tegelijk worden gedownload. De groep aan downloaders wordt 'swarm' genoemd. Er hoeft dus geen band meer te bestaan tussen de oorspronkelijke seeder en de downloaders. De downloaders worden zelf in de regel seeders: de software is er gewoonlijk standaard zo op ingesteld nu het systeem hiervan afhangt.

Prejudiciële vragen:

1. a) Kan het downloaden van een bestand via een peer-to-peernetwerk en tegelijk onderdelen ('pieces') ervan (soms zeer fragmentarisch ten opzichte van het geheel) ter upload ter beschikking stellen ('seeden'), worden beschouwd als een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3.1 van Richtlijn 2001/29, ook al zijn deze individuele pieces op zichzelf onbruikbaar? Zo ja,

b) bestaat er een de minimis-drempel opdat de seeding van deze pieces een mededeling aan het publiek zou uitmaken?

c) is de omstandigheid dat de seeding automatisch (ten gevolge van de instellingen van de torrent dient) en daarom onbewust voor de gebruiker kan gebeuren relevant?

2. a) Kan de persoon die contractueel houder is van auteursrechten (of naburige rechten), doch deze rechten niet zelf exploiteert maar enkel een schadevergoeding vordert van vermeende inbreukplegers — en waarvan het economische verdienmodel dus afhangt van het bestaan van piraterij in plaats van deze te bekampen — dezelfde rechten genieten die Hoofdstuk II van Richtlijn 2004 / 48 toekent aan de auteurs of licentiehouders die wel auteursrechten op een normale wijze exploiteren?

b) Hoe kan deze licentiehouder in dit geval 'schade' (in de zin van artikel 13 van Richtlijn 2004/48) hebben geleden door de inbreuk?

3. Zijn de concrete omstandigheden uiteengezet in vragen 1 en 2 relevant in het kader van de beoordeling van de afweging van het juiste evenwicht tussen enerzijds de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, en anderzijds de rechten en vrijheden gewaarborgd door het Handvest, zoals de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens, in het bijzonder in het kader van de beoordeling van de proportionaliteit?

4. Is in al deze omstandigheden het systematisch registreren, en verder algemeen verwerken van de IP-adressen van een swarm aan seeders (door de licentiehouder zelf, en door een derde, in opdracht ervan) gerechtvaardigd onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming, meer bepaald onder artikel 6,1., f) ervan?