IEFBE 2768

Prejudicieel gestelde vraag over uitzonderingsregeling die exploitatie tussen kunstenaars(collectieven) en instituut regelt

Prejudicieel gestelde vraag aan HvJ EU 11 juli 2018, IEF 18044; IEFbe 2768; C-484/18 (INA) Naburige rechten. Via Minbuza. Het INA is verantwoordelijk voor het bewaren en tot zijn recht laten komen van het nationale audiovisuele erfgoed. Het bewaart de audiovisuele archieven van de nationale radio- en televisiezenders en draagt bij aan de exploitatie ervan. PG en GF verwijten het INA dat het, zonder hun toestemming, op zijn website videogrammen en een fonogram te koop heeft aangeboden met uitvoeringen door de jazzdrummer waarvan zij de rechthebbenden zijn. Het INA beroept zich op een bijzondere wettelijke regeling op basis waarvan het de archieven kan exploiteren door de uitvoerend kunstenaars een forfaitaire vergoeding te betalen zoals vastgesteld in collectieve overeenkomsten met hun representatieve vakbonden. De rechthebbenden stellen dat die wettelijke regeling strijdig is met de richtlijn. 

De rechter in tweede aanleg heeft de vorderingen tot schadeloosstelling tegen het INA afgewezen. Eisers tot cassatie betogen dat, hoewel de opdracht van het INA van algemeen belang is, het nastreven van dat doel en dat belang geen rechtvaardiging kan vormen voor een niet door de wetgever van de Unie bepaalde afwijking van de bescherming die de richtlijn aan uitvoerend kunstenaars biedt, waardoor het INA de dragers waarop de uitvoeringen van die kunstenaars zijn vastgelegd commercieel kan exploiteren (C-301/15). Zij menen dat de rechter in tweede aanleg in zijn uitspraak ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de artikelen 2, 3 en 5 van de richtlijn.

Prejudiciele vraag:

Dienen artikel 2, onder b), artikel 3, lid 2, onder a), en artikel 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, aldus te worden uitgelegd dat zij er  zich niet tegen verzetten dat bij nationale regelgeving, zoals artikel 49, II, van wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van mededeling, zoals gewijzigd door artikel 44 van wet nr. 2006-961 van 1 augustus 2006, ten gunste van het Institut national de l’audiovisuel, dat wat betreft de  audiovisuele archieven de begunstigde van de exploitatierechten van de nationale programmamaatschappijen is, een uitzonderingsregeling wordt ingevoerd volgens welke de exploitatievoorwaarden voor de prestaties van uitvoerend kunstenaars en de vergoedingen voor die exploitatie worden geregeld door overeenkomsten tussen de uitvoerend kunstenaars zelf of hun representatieve werknemersorganisaties enerzijds en dat instituut anderzijds, waarbij in die overeenkomsten de tarieflijst van de vergoedingen en de betalingsvoorwaarden voor die vergoedingen worden gespecificeerd?