IEFBE 2814

Rechtbank blijft bij tussenvonnis: Van Haren maakt inbreuk op merkenrecht Louboutin

Rechtbank Den Haag 6 februari 2019, IEF 18217; IEFbe 2814 (Louboutin en CLS tegen Van Haren). Zie ook: IEF 17759; IEF 17487; IEF 17209IEF 16890IEF 15786IEF 15746IEF 14828IEF 13716IEF 12902IEF 12573. Merkenrecht. Nu de merkenrichtlijn 2015 nog niet is omgezet in het BVIE bestaat er voor de rechtbank geen reden om te onderzoeken of zij dient terug te komen op haar tussenvonnis. Van belang acht de rechtbank hierbij dat het een zaak betreft die speelt tussen twee particuliere partijen. De rechtbank houdt dus vast aan haar eerdere conclusie, en oordeelt dat Van Haren inbreuk maakt op het merkenrecht van Louboutin. De rechtbank neemt de antwoorden die het HvJEU op de prejudiciële vragen heeft gegeven wel mee in haar vonnis, maar dit leidt niet tot een andere conclusie dan in het tussenarrest. Nu vaststaat dat er sprake is van een Beneluxmerk, is daarmee de inbreuk door Van Haren ook gegeven.

4.11. De rechtbank is van oordeel dat een uitleg van artikel 2.1 lid 2 BVIE conform de tekst van de Merkenrichtlijn 2015 afstuit op de grenzen aan het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het interne recht en daarom niet aan de orde kan zijn. Richtlijnconforme interpretatie van artikel 2.1 lid 2 BVIE zou immers meebrengen dat het begrip ‘vorm’ in artikel 2.1 lid 2 BVIE ook zou moeten omvatten ‘een ander kenmerk’ dan een vorm als bedoeld in artikel 4 lid 1e onder iii van de Merkenrichtljn 2015. Oftewel: A moet worden uitgelegd als A+B. Dat zou neerkomen op een uitleg contra legem van artikel 2.1 lid 2 BVIE, waarvoor het beginsel geen grondslag biedt. Daar komt bij dat een uitleg van artikel 2.1 lid 2 BVIE, die meebrengt dat vóór 15 januari 2019 als geldig te beschouwen merken per die datum plotseling nietig zijn, indruist tegen het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht. Zolang de tekst van artikel 2.1 lid 2 BVIE beperkt is tot het begrip ‘vorm’, zal een teken als het Beneluxmerk daarom niet onder die uitsluitingsgrond vallen.

4.13. Zolang de Merkenrichtljn 2015 niet is omgezet in het BVIE, kan die richtlijn dus niet van invloed zijn op de beoordeling van het onderhavige geschil. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor de rechtbank om te onderzoeken of zij dient terug te komen op eindbeslissingen in het tussenvonnis 2015. De rechtbank zal deze zaak dan ook niet aanhouden totdat arrest is gewezen door het HvJEU in de Textilis-zaak. Pas als de Merkenrichtljn 2015 in het BVIE is geïmplementeerd, zal de vraag aan de orde zijn welke gevolgen deze richtlijn heeft voor merken als de onderhavige, die geldig waren onder het huidige BVIE en uitsluitend bestaan uit (een vorm die, of) ‘een ander kenmerk’ dat wezenlijke waarde aan de waar geeft als bedoeld in de Merkenrichtljn 2015.