IEFBE 2720

Stakingsvordering van Rational afgewezen omdat samenwerkingsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd

Vzr. Rechtbank Den Haag 17 augustus 2018, IEF  17925; IEFbe 2720; ECLI:NL:RBDHA:2018:9946 (Rational tegen RG) Merkenrecht. Rational produceert keukenapparatuur voor professionele afnemers. Ze is houder van woord- en beeldmerk RATIONAL. RG drijft een groothandel in horeca-keukenapparatuur. Rational en RG hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten. RG kreeg de gelegenheid om alle Rational-producten te verkopen en zou voor ieder verkocht product een provisie ontvangen. Betalingen werden door Rational zelf geregeld. Rational is eind 2015 verkocht en heeft een nieuwe directeur gekregen. Er werden nieuwe afspraken gemaakt tussen Rational en RG waarna onenigheid bestond. Volgens Rational is de overeenkomst op 4 januari 2018 per mail opgezegd. Rational vordert dat RG gebruik van de merken staakt en gestaakt houdt. RG zegt alleen in de mail dat ze het onacceptabel vindt dat ze niet meer op de Horecava mogen staan aangezien RG al twaalf jaar de Rational stand op de Horecava beheert. Er kan niet aannemelijk worden gemaakt dat de overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd zodat RG gerechtigd is om zich als distributeur van Rational te presenteren en de merkenrechten te gebruiken. De stakingsvordering wordt afgewezen.

5.8. Naar voorlopig oordeel is op basis van de door partijen geschetste omstandigheden niet voldoende aannemelijk dat een rechter in een bodemprocedure de vraag of RG de Overeenkomst heeft opgezegd, zonder meer bevestigend zal beantwoorden. Daartoe is het volgende van belang.
5.9. Met partijen stelt de voorzieningenrechter vast dat vanaf het begin van de Overeenkomst in 2005 tot eind 2015 door Rational Grootkeukentechniek en RG in harmonie op basis van gemaakte afspraken (vergelijk onder 2.4) is gehandeld. De komst van [B] als directeur bij Rational Grootkeukentechniek vanaf eind 2015 luidt een nieuwe fase van de samenwerking in. De voorzieningenrechter volgt RG c.s. in haar betoog dat deze samenwerking gekleurd wordt door wijzigingen in de afspraken ten nadele van RG die steeds eenzijdig vanuit Rational Grootkeukentechniek worden doorgevoerd en waarmee RG schoorvoetend (vanuit een afhankelijke positie) kennelijk akkoord is gegaan. Allereerst gewijzigde afspraken per 1 juni 2016 (zie onder 2.6). Vervolgens de beslissing van Rational Grootkeukentechniek van 6 maart 2017 om met terugwerkende kracht per 1 januari 2017 terug te vallen op de oude regeling zoals met de heer [A] in het verleden was besproken (zie onder 2.7), waarbij evenwel in afwijking van de oude regeling voor RG alsnog nadeliger voorwaarden worden voorgesteld. In de aanloop naar de Horecava - waarbij als niet weersproken vaststaat dat RG vanaf 2005 ieder jaar in de stand van Rational Grootkeukentechniek op de Horecava heeft gestaan en zelf machines van Rational c.s. heeft verkocht - meldt [B] op een vraag van [vennoot 1] met betrekking tot 50 kaarten voor RG voor de Horecava op 28 december 2018 nog “Zal dit dinsdag aan [X] vragen of er nog kaarten zijn.” (zie 2.8). Bij e-mail van 3 januari 2018 - vijf dagen vóór de Horecava - komt [B] met voorstellen voor nieuwe afspraken in 2018 (opnieuw in het nadeel van RG) en meldt hij in die e-mail opeens dat RG geen gebruik kan maken van de Rational Stand tijdens de Horecava 2018 (zie onder 2.9). Gezien het feit dat de Rational-machines die RG tijdens de Horecava jaarlijks vanaf 2005 heeft verkocht een aanzienlijk deel van haar jaaromzet betreffen, kan de voorzieningenrechter de verklaring van RG volgen dat de reactie van [vennoot 1] namens RG op 4 januari 2018 in die (geëmotioneerde) context gelezen moet worden. Gezien de tekst van de e‑mail lijkt het mogelijk op het eerste gezicht alsof RG drastische stappen wil nemen die op parallel import duiden en die een afscheid van Rational Grootkeukentechniek zouden kunnen inluiden. Maar in het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden verwoordt [vennoot 1] feitelijk niet meer dan dat hij het onacceptabel acht dat Rational Grootkeukentechniek vlak voor de Horecava RG na 12 jaar uit de Rational Stand weert, waarvoor [vennoot 1] dus op zeer korte termijn een oplossing moet verzinnen (“de machines die we die dagen zullen verkopen”, onderstreping vzr), en dat hij de voorstellen voor 2018 onacceptabel acht. Rational Grootkeukentechniek kon naar voorlopig oordeel deze e-mail niet als opzegging van de Overeenkomst opvatten. Voor zover daarover bij Rational Grootkeukentechniek twijfel bestond, moet haar met de e-mails van [vennoot 1] van 14 januari en 31 januari 2018 (zie 2.12 respectievelijk 2.14) duidelijk zijn geworden dat [vennoot 1] zich op het standpunt stelde dat Rational Grootkeukentechniek en niet RG een zodanig andere koers is gaan varen, die een (mogelijk) afscheid betekende, maar niet dat RG het initiatief tot opzegging heeft genomen. Voor zover Rational Grootkeukentechniek de Overeenkomst wilde vervangen door de voorwaarden die zij begin januari 2018 aan RG heeft gepresenteerd (en waarmee zij het mes op de keel van RG c.s. zette), was het aan Rational Grootkeukentechniek om de Overeenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn (waarop door RG c.s. een beroep is gedaan) teneinde RG c.s. in de gelegenheid te stellen vervangende inkomsten te realiseren).7
5.10. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat Rational c.s. haar merkenrechtelijke vordering slechts op de c-grond heeft gestoeld zonder dat zij in de dagvaarding heeft gesteld dat de ingeroepen merkrechten, althans één van die rechten (zij heeft niet aangegeven welke van de drie merken het zou betreffen), bekende merken zijn in de zin van artikel 9 lid 2 aanhef en onder c UMVo resp. artikel 2.20 lid 1 onder c BVIE. Hetgeen daarover eerst ter zitting op vragen van de voorzieningenrechter is betoogd (marktaandeel Duitsland, kookstudio Almere), is tardief omdat RG c.s. zich daartegen niet adequaat heeft kunnen verweren en in dit geding dus niet kan worden aangenomen dat een of meer van de merken bekende merken zijn. Ten slotte wordt herhaald wat de voorzieningenrechter op de zitting al aan Rational c.s. te verstaan heeft gegeven, te weten dat dit geschil een andere achtergrond kent dan een verschil van mening over het gebruik van intellectuele eigendomsrechten, namelijk een verstoorde samenwerking, waar eerst en vooral een oplossing voor moet worden gevonden: de vorderingen op basis van het intellectuele eigendomsrecht zijn er in deze zaak, zoals de advocaat van Rational c.s. ter zitting min of meer ook heeft erkend (en overigens voor hem reden was RG c.s. bij e-mail van 23 februari 2018 te berichten dat Rational c.s. vooralsnog van een procedure zou afzien), met de haren bijgesleept.
5.11. Het voorgaande betekent dat de vorderingen in conventie voor afwijzing gereed liggen, nu voorshands niet kan worden gezegd dat de bodemrechter zal oordelen dat de Overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd zodat RG gerechtigd is zich als distributeur van Rational c.s. te presenteren en de merkrechten van Rational voor de verhandeling van de producten van Rational te gebruiken, zoals dit gedurende de looptijd van de Overeenkomst steeds het geval is geweest.