Gepubliceerd op maandag 13 juli 2026
IEFBE 4252
Gerecht EU - Tribunal UE ||
1 jul 2026,
Gerecht EU - Tribunal UE 1 jul 2026,, IEFBE 4252; ECLI:EU:T:2026:422 ((Driss El Hakmaoui Attilah tegen EUIPO)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/uniemerk-4011-b552-terecht-nietig-wegens-kwade-trouw

Uniemerk 4011 B552 terecht nietig wegens kwade trouw

Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23673; IEFbe 4252; ECLI:EU:T:2026:422 (Driss El Hakmaoui Attilah tegen EUIPO). Het Gerecht van de Europese Unie verwerpt het beroep van Driss El Hakmaoui Attilah tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 23 oktober 2024 (zaak R 403/2024‑2), waarin het Uniebeeldmerk 4011 B552 nietig wordt verklaard wegens kwade trouw. Bella Tawziaa II en Groupe Bellakhdar vorderen op 31 maart 2022 bij het EUIPO nietigverklaring van het in 2013 aangevraagde Uniebeeldmerk (nr. 11 674 413) voor waren in klasse 30 (waaronder koffie, thee en aanverwante producten). Zij beroepen zich daarbij op oudere rechten die onder meer de elementen 4011 en B552, Arabische woordelementen en een leeuwconcept of leeuwafbeelding bevatten. De nietigheidsvordering is formeel gebaseerd op art. 59 lid 1 sub b Verordening (EU) 2017/1001 (Uniemerkverordening 2017), maar omdat de merkaanvraag dateert van 21 maart 2013, beoordeelt het Gerecht de zaak materieel aan de hand van art. 52 lid 1 sub b Verordening (EG) nr. 207/2009. Het Gerecht benadrukt dat bij kwade trouw niet dezelfde vergelijking plaatsvindt als bij verwarringsgevaar: het gaat niet om een precieze mate van overeenstemming vanuit het perspectief van de gemiddelde consument, maar om de bedoeling van de aanvrager op het moment van indiening van de merkaanvraag. Die bedoeling moet objectief worden vastgesteld aan de hand van alle relevante omstandigheden, waarbij ook feiten van na het depot in aanmerking mogen worden genomen voor zover zij licht werpen op de intentie ten tijde van het depot.

Het Gerecht oordeelt dat de kamer van beroep terecht aanneemt dat verzoeker bij het depot te kwader trouw handelt. Van belang is dat vóór en ten tijde van de aanvraag een nauwe commerciële en contractuele relatie bestaat tussen verzoeker en Groupe Bellakhdar. Verzoeker richt de vennootschap Grand Lion 4011 op, later Bella Tawziaa II, waarna een aan Groupe Bellakhdar gelieerde persoon als vennoot toetreedt. Vanuit die samenwerking is verzoeker bekend met het gebruik van de oudere rechten. Daarnaast vertonen de conflicterende tekens voldoende gelijkenissen voor de beoordeling van kwade trouw: de elementen 4011 en B552 keren terug in de tekens en zijn vergelijkbaar qua grafische weergave, plaatsing en verwijzing naar hetzelfde concept. De tekens verwijzen bovendien naar een gemeenschappelijk leeuwconcept, zowel via afbeeldingen als via de Arabische woordelementen. Het betoog van verzoeker dat leeuwen vaker op theeverpakkingen voorkomen, acht het Gerecht onvoldoende onderbouwd. Verder mag het EUIPO rekening houden met latere omstandigheden: na het depot draagt verzoeker zijn aandelen in Bella Tawziaa II over aan zijn zus, krijgt hij een algemene volmacht, laat hij verschillende merken aan zichzelf overdragen en verzoekt hij uiteindelijk om overdracht van het litigieuze merk aan zichzelf. Die gang van zaken ondersteunt volgens het Gerecht de conclusie dat het merk is aangevraagd met het oog op latere toe‑eigening. Dat Bella Tawziaa II het merk formeel als aanvrager indient en later zelf nietigverklaring vordert, staat daaraan niet in de weg. Het Gerecht wijst erop dat art. 52 lid 1 sub b Verordening 207/2009 een algemeen belang beschermt: de mogelijkheid om kwade trouw in te roepen staat open voor iedere natuurlijke of rechtspersoon. Het Gerecht concludeert dat verzoeker bij de aanvraag van het litigieuze merk te kwader trouw handelt. Het enige middel wordt verworpen, het beroep wordt afgewezen en verzoeker wordt verwezen in de kosten van het geding voor het Gerecht, overeenkomstig de conclusies van het EUIPO en de interveniënten.

“49. Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat, zoals de kamer van beroep terecht heeft opgemerkt, het bij de beoordeling of er sprake is van kwade trouw in de zin van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 niet gaat om het vaststellen van een specifieke mate van overeenstemming tussen de conflicterende merken vanuit het oogpunt van de consument, zoals dat het geval is bij de toepassing van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, maar om het begrijpen van de bedoeling van verzoeker op het tijdstip van de indiening van de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk.”

“72. Gelet op alle omstandigheden van het geval heeft de kamer van beroep dus terecht geconcludeerd dat verzoeker op het moment van de indiening van de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk te kwader trouw was in de zin van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.”