IEFBE 3284

Verwarringsgevaar ondanks weinig overeenstemmingen

Gerecht EU 15 september 2021, IEF 20201, IEFbe 3284; ECLI:EU:T:2021:569 (Albéa tegen EUIPO) In 2013 heeft verzoekster Albéa Services aanvraag gedaan tot inschrijving van het beeldmerk 'Albéa' in onder andere de klasse cosmetica. Dm-drogerie markt GmbH & Co heeft hiertegen oppositie gesteld. Zij is houder van Uniemerk 'Balea' in overeenkomende klasse. De bestreden beslissing is een uitspraak van de vijfde kamer van beroep, die in de kern stelt dat er te veel verwarringsgevaar voor het relevante publiek ontstaat. Het Gerecht gaat hier in mee en overweegt het volgende. De beoordeling van het verwarringsgevaar hangt af van een tal aan elementen, met name de bekendheid van het merk bij het betrokken publiek. Volgens het Gerecht is er een zekere onderlinge afhankelijkheid tussen de herkenning van een merk door het publiek en het onderscheidend vermogen ervan. Ondanks een geringe visuele en fonetische overeenstemming tussen de conflicterende tekens komt het Gerecht tot de conclusie dat het merk 'Balea' door het grote marktaandeel in cosmetische producten hoog onderscheidend is. Hierdoor kan er toch verwarringsgevaar kan ontstaan tussen de twee beeldmerken. Het beroep dat betrekking heeft op de klasse cosmetica wordt verworpen. 

84. Het bestaan ​​van een hoger dan normaal onderscheidend vermogen als gevolg van de erkenning door het publiek van een merk op de markt veronderstelt noodzakelijkerwijs dat ten minste een aanzienlijk deel van het relevante publiek ermee bekend is, maar niet noodzakelijkerwijs dat het een reputatie heeft binnen de betekenis van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 8, lid 5, van verordening 2017/1001). Het is niet mogelijk om in algemene bewoordingen, bijvoorbeeld door te verwijzen naar specifieke percentages met betrekking tot de mate van herkenbaarheid van het merk binnen het relevante publiek, dat een merk een groot onderscheidend vermogen heeft. Niettemin moet worden erkend dat er een zekere onderlinge afhankelijkheid bestaat tussen de herkenning van een merk door het publiek en het onderscheidend vermogen ervan, in die zin dat hoe meer het merk wordt herkend door het doelpubliek, hoe meer het onderscheidend vermogen van dat merk wordt versterkt. Om te beoordelen of een merk een hoog onderscheidend vermogen heeft doordat het door het publiek wordt herkend, moeten alle relevante feiten van de zaak in aanmerking worden genomen, met name het marktaandeel van het merk; hoe intensief, geografisch wijdverbreid en langdurig het gebruik van het merk is geweest; het bedrag dat de onderneming heeft geïnvesteerd in de promotie van het merk; het deel van het relevante publiek dat op grond van het merk de waren of diensten identificeert als afkomstig van een bepaalde onderneming; en verklaringen van kamers van koophandel en industrie of andere handels- en beroepsverenigingen (zie arrest van 12 juli 2006, Om te beoordelen of een merk een hoog onderscheidend vermogen heeft doordat het door het publiek wordt herkend, moeten alle relevante feiten van de zaak in aanmerking worden genomen, met name het marktaandeel van het merk; hoe intensief, geografisch wijdverbreid en langdurig het gebruik van het merk is geweest; het bedrag dat de onderneming heeft geïnvesteerd in de promotie van het merk; het deel van het relevante publiek dat op grond van het merk de waren of diensten identificeert als afkomstig van een bepaalde onderneming; en verklaringen van kamers van koophandel en industrie of andere handels- en beroepsverenigingen.