IEFBE 2698
  • Brussel - Bruxelles(Fr./Nl.)
    22 jun 2017
  • EDF Luminus tegen Vlaams EnergieBedrijf

Vlaams EnergieBedrijf maakt misleidende en vergelijkende reclame ondanks dat concurrenten niet genoemd worden

Voorz. Rechtbank van Koophandel Brussel 22 juni 2017, IEFbe 2698 (EDF Luminus tegen Vlaams EnergieBedrijf) Oneerlijk marktpraktijken. Misleidende reclame. EDF levert als energieleverancier, onder meer elektriciteit en aardgas. VEB is opgericht door de Vlaamse regering. Het kan als elektriciteitsleverancier optreden en beschikt over leveringsvergunningen voor zowel elektriciteit als gas. VEB beweert dat haar energieprijs goedkoper zou zijn en een minimale kostendekkende vergoeding vraagt. Volgens EDF maakt VEB op oneigenlijke wijze gebruik van een rechtsfiguur uit de overheidsopdrachtenreglementering, namelijk de aankoopcentrale. Tevens maakt VEB misleidende en vergelijkende reclame door onjuiste beweringen te doen. EDF vordert handelen te staken en gestaakt te houden. Diensten zoals beheer van klantrelatie op het vlak van bestelling, verificatie van hoeveelheden, facturatie enz. Deze prestaties zijn dan ook inherent inbegrepen in het optreden als aankoopcentrale. Deze vordering wordt afgewezen. VEB vergelijkt haar prijzen met andere elektriciteitsleveranciers en promoot zichzelf als goedkoper alternatief dan de privé-elektriciteitsleveranciers. De gebruiker die kennisneemt van de reclame kan de concurrenten immers herkennen dan wel identificeren. Men hoeft niet direct te weten wie de getroffen concurrenten zijn. De rechter beveelt staking van de oneerlijke en vergelijkende reclame.

 


20. EDF maakt niet aannemelijk dat VEB inzake de aankoop van energie niet kan functioneren als aankoopcentrale in de enge zin, noch dat het VEB diensten zou leveren die de grenzen van de wettelijk geregelde werking als aankoopcentrale te buiten zou gaan. Zij legt daarbij verkeerdelijk het accent op diverse elementen die niet relevant zijn voor de verenigbaarheid van het optreden van het VEB als aankoopcentrale conform de wetgeving overheidsopdrachten. Zo poogt EDF doorheen haar conclusie haar functie van bevoorrader en operator te minimaliseren. Nochtans neemt zij steeds deel aan de bevragingen vanwege het VEB én is zij ook contractant van het VEB, zodat het blijkbaar toch wel om een interessante activiteit gaat. Ook de omvang van de respectievelijke vergoedingen aan het VEB en EDF als bevoorrader is irrelevant in de discussie aangaande de toelaatbaarheid van de werking als aankoopcentrale. Eisende partij betwist overigens niet dat een aankoopcentrale een vergoeding kan innen. Aangaande de grond van het debat, m.n. waarom het VEB de inherent aan en aankoopcentrale eigen diensten niet zou mogen uitoefenen, blijft EDF in gebreke om haar standpunt juridisch sluitend te onderbouwen. In wezen houdt EDF voor dat, inzake energie, de aankoopcentrale niet zou mogen opereren zoals ten aanzien van andere opdrachten. Nochtans slaagt zij er niet in de vaststelling te ontkrachten dat nergens in de Europese en nationale wetgeving, rechtspraak of rechtsleer ook maar enige beperking wordt gesteld aan het optreden van de aankoopcentrale bij de aan- en verkoop van energie. Er is bij het optreden van het VEB als aankoopcentrale overigens geen sprake van een 'extra' buiten de markt gehouden dienstverlening die de werking van de aankoopcentrale zou overschrijden, enkel een normaal beheer van een energielevering ten aanzien van een veelheid van afnemers. Elke aan- en verkoop, ook van energie, veronderstelt immers dat het gepaard gaat met een beheer van de klantrelatie op het vlak van bestelling, verificatie van hoeveelheden, facturatie enz. Deze prestaties zijn dan ook inherent inbegrepen in het optreden als aankoopcentrale. EDF erkent overigens in haar conclusie uitdrukkelijk dat deze dienstverlening 'diensten zijn die normaal door de energieleverancier wordt verstrekt. Toch houdt EDF voor dat net deze dienstverlening in de markt zou moeten worden geplaatst. Indien het aan het VEB niet meer zou toestaan om in te staan voor het beheer van klantenrelatie, brengt zulks onvermijdelijk met zich mee dat geen beroep meer kan worden gedaan op de rechtsfiguur van aankoopcentrale. Dergelijke zienswijze gaat echter in tegen de bepalingen die de aanbestedende overheden net de mogelijkheid geven om een beroep te doen op de rechtsfiguur van de aankoopcentrale.
21. De eerste gevorderde stakingsmaatregel is dan ook ongegrond.

23. In de tabel beweert VEB dat haar energieprijs 'gemiddeld goedkoper' zou zijn. Terecht merkt EDF op dat dit een misleidende omschrijving is. VEB koopt haar energieprijzen via de kortetermijnmarkten waar de prijzen voorlopig gemiddeld lager zijn. Dit is evenwel geen garantie. Bovendien toont EDF aan dat de vergoeding zij aanrekent bovenop de bevoorradingskost hoger is dan wat een privé-aanbieder zoals EDF kan aanbieden.
24. Door op haar website te beweren dat het VEB 'goedkoper energie levert' en 'een minimale kostendekkende vergoeding vraagt' bezondigt het VEB zich aan misleidende reclame.
25. Bovendien beweert het VEB op haar website dat zij 'goedkopere energie levert 'en 'een minimale kostendekkende vergoeding vraagt'. Dit maakt vergelijkende reclame uit. Er wordt immers duidelijk geadverteerd dat VEB goedkoper energie zou leveren en een lagere vergoeding zou aanrekenen dan de andere energieleveranciers waaronder EDF. Het feit dat de energieleveranciers niet expliciet genoemd worden is niet relevant. De gebruiker die kennisneemt van de reclame kan de concurrenten immers herkennen dan wel identificeren. Dit volstaat. Men hoeft niet direct te weten wie de getroffen concurrenten zijn.
26. VEB vergelijkt haar prijen met andere elektriciteitsleveranciers en promoot zichzelf als goedkoper alternatief dan de privé-elektriciteitsleveranciers. De overheden zijn perfect in staat om die privé-elektriciteitsleveranciers te identificeren.

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt de stakingsrechter volgende beslissing. De stakingsrechter verklaart de vordering van de eisende partij ontvankelijk en gegrond in de volgende mate: De stakingsrechter stelt vast dat de bewering van het VEB dat zij goedkopere energie levert doordat het zijn energie aankoop op de korte termijnmarkt en dat zijn kostendekkende vergoeding minimaal is oneerlijk en misleidende vergelijkende reclame.