IEFBE 3110

Vordering gegrond op Gemeenschapsmodellenverordening: rechtbank onbevoegd

Ondernemingsrechtbank Antwerpen 4 maart 2020, IEFbe 3110; A/19/07579 (SaS Ohara tegen Tawo) Modellenrecht. SaS Ohara stelt dat Tawo producten op de markt heeft gebracht die identiek zijn aan hun model van de armband “Feather Cuff”. Tawo voert als verweer aan dat de eisende partijen hun vordering minstens ten dele enten op het gemeenschapsmodellenrecht. Enkel de ondernemingsrechtbanken te Brussel zijn bevoegd om van dergelijke vorderingen kennis te nemen. In de dagvaarding wordt de vordering expliciet gebaseerd op de Gemeenschapsmodellenrechtverordening. Hoewel de eisende partijen de verwijzing naar die verordening hebben weggehaald, blijft de veelvuldige verwijzing naar het begrip “model” gehandhaafd. Aangezien de materiële bevoegdheid mede wordt bepaald aan de hand van de bewoordingen van de dagvaarding, wordt geconcludeerd dat de Ondernemingsrechtbank Antwerpen onbevoegd is.

3. Verwerende partijen stellen daarnaast dat eisende partijen hun vordering minstens ten dele enten op het gemeenschapsmodellenrecht. Het wordt terecht niet betwist dat enkel de ondernemingsrechtbanken te Brussel bevoegd zijn om van dergelijke vorderingen kennis te nemen. Verwerende partij verwijzen naar de dagvaarding waarin de eis expliciet gesteund wordt op “Verordening (EG) 6/2002 van 12 december 2001 van de Raad betreffende Gemeenschapsmodellen”. Ook in de conclusies van eisende partijen wordt meermaals expliciet verwezen naar het “model” van eisende partijen. Eisende partijen voeren geen schriftelijk verweer op de gestelde exceptie. Zij hebben in conclusie wel de verwijzing naar de modellenverordening uit hun vordering gehaald. De veelvuldige verwijzing doorheen de conclusie naar het begrip “model” blijft gehandhaafd. Ter zitting verklaren de eisende partijen ter zake:
- Dat de verwijzing in de dagvaarding een “lapsus” zou betreffen;
- Dat zij niet aandringen op een veroordeling onder het modellenrecht.
Ondanks vraag tot precisering naar de juridische kwalificatie van zulk “niet aandringen” door de rechtbank en verwerende partijen, verduidelijken eisende partijen niet wat de implicatie daarvan is. Zij doen geen afstand van vordering of geding op dit punt. Ook bij conclusie herhalen verwerende partijen herhaaldelijk de verwijzing naar het “model” van eisende partijen, zodat de rechtbank bij de beoordeling van de vordering ten gronde dient na te gaan of de modelvereisten al dan niet vervuld zijn. Eisende partijen argumenteren zelf uitgebreid en terecht dat alle vordering in dit dossier samenhangend zijn. De materiële bevoegdheid wordt mede bepaald aan de hand van de bewoordingen van de dagvaarding. De rechtbank is onbevoegd.