IEFBE 3012

Wijken formaliteitsvereiste vloeit voort uit systematiek Berner Conventie

Parket bij HR 15 november 2019, IEF 18904, IEFbe 3012; ECLI:NL:PHR:2019:1199 (Montis tegen verweerster) Internationaal auteursrecht. Vervolg HR 13 december 2013 ECLI:NL:HR:2013:1881. Is, na het verstrijken van de in art. 7 lid 4 Berner Conventie bedoelde termijn, het vereiste van een instandhoudingsverklaring als bedoeld in art. 21 lid 3 (oud) Benelux Tekeningen- en Modellenwet in strijd met het formaliteitenverbod in art. 5 lid 2 Berner Conventie? Volgens de Hoge Raad moet het formaliteitsvereiste na het verstrijken van 25 jaar wijken voor een andersluidende regeling in het nationale recht als het gaat om werken van toegepaste kunst die alleen in het nationale recht worden beschermd.

2.14. In rov. 6.3.3 van het arrest van 13 december 2013 heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat (ingeval Duitsland als het ‘land van oorsprong’ moet worden aangemerkt) Montis niet met een beroep op het gelijkstellingsbeginsel van art. 5 lid 1 BC en het formaliteitenverbod van art. 5 lid 2 BC in Nederland een verder gaande auteursrechtelijke bescherming kan inroepen dan toekomt aan de rechthebbende van een werk van toegepaste kunst waarvoor Nederland als het land van oorsprong moet worden aangemerkt. In HR 11 mei 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB1558), NJ 2002/55 m.nt. J.H. Spoor (rov. 3.3.3) was al beslist dat een Nederlandse auteur in Nederland met betrekking tot een werk waarvan Nederland het ‘land van oorsprong’ is, geen beroep kan doen op (het formaliteitenverbod in) de Berner Conventie.

2.15. De Hoge Raad heeft de oplossing voor het vraagstuk dus gezocht in de systematiek van de Berner Conventie zelf. Deze is, als gezegd, de vrucht van een in 1948 gesloten compromis tussen, kort gezegd, de voorstanders van een wereldwijd eenvormige auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst en de verbondslanden die voorkeur hadden voor regeling hiervan door de nationale wetgever. In de redenering van de Hoge Raad is in 1948 slechts één beperking op de vrijheid van de nationale wetgever aanvaard (te weten: een minimumbeschermingstermijn van 25 jaar). 19 Deze systematiek brengt volgens de Hoge Raad mee dat het formaliteitenverbod van art. 5 lid 2 BC, ook als dit wordt gerekend tot het ius conventionis dat zich uitstrekt over een aan art. 7 lid 4 BC te ontlenen recht, na het verstrijken van de termijn van 25 jaar moet wijken voor een andersluidende regeling in het nationale recht indien het gaat om werken van toegepaste kunst die alleen in het nationale recht worden beschermd.