Woord/beeldmerk "Go Safe" grotendeels vervallen verklaard wegens niet normaal gebruik
Hof van Beroep Brussel 8 september 2015, IEFbe 1622 (ICC tegen AB Safety)
Merkenrecht. Normaal gebruik. Beide partijen zijn actief op de markt voor veiligheidskleding en -schoenen en hebben het (woord)beeldmerk “Go Safe” gedeponeerd. ICC vordert staking van gebruik van het merk door AB Safety op grond van verwarringsgevaar. AB Safety vordert op haar beurt vervallenverklaring van het merk van ICC. De vordering van AB Safety wordt t.a.v. het product veiligheidsschoenen afgewezen nu ICC daarvoor normaal gebruik kan aantonen. Voor de overige waren wordt de vordering toegewezen. De stakingsvordering van ICC wordt eveneens alleen toegewezen t.a.v. de veiligheidsschoenen.
13. (…) Het hof oordeelt dat Industrias aan de hand van de hiervoor besproken stukken voldoende bewijst dat zij in de Gemeenschap een normaal gebruik heeft gemaakt voor veiligheidsschoenen van het Gemeenschapsmerk “Go Safe” in de relevante periode, conform de criteria waaraan dit normaal gebruik volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie dient te voldoen.
De door Industrias neergelegd relevante facturen en brochure bewijzen immers dat het gebruik van het merk door Industrias (of met haar toestemming) geen louter symbolisch gebruik betreft. Gelet op de onder het merk verhandelde waren, met name veiligheidsschoenen, en de economische sector waarin zij gebruikt worden, is het gebruik dat Industrias in de Gemeenchap van haar merk gemaakt heeft in de relevante periode, voldoende frequent en omvangrijk. Het gebruik van het merk wordt geacht plaatsgevonden te hebben om een marktaandeel voor de dor het merk beschermde waren te behouden of te verkrijgen.
19. (…) Het hof oordeelt dat het relevante publiek in casu een hoog aandachtsniveau heeft, aangezien de waren worden aangeschaft voor een welbepaald gebruik en worden aangewend om veiligheidsdoeleinden (ter bescherming).
20. (…) Het hof stelt vast dat de woordelementen onderscheidend en dominant zijn en dit zowel in het merk van Industrias als in het oude en nieuwe teken van AB Safety. Het betreft telkens de woordelementen GO SAFE.
Wat de auditieve (het beeldelement wordt niet uitgesproken) vergelijking tussen het merk en de tekens (zowel het ouder als het nieuwe) betreft, stelt het hof vast dat de woordelementen die deel uitmaken van de te vergelijken tekens volledig overeenstemmen met de woordelementen in het merk van Industrias.
Wat de begripsmatige vergelijking betreft, stelt het hof vast dat de afbeelding van het uitroepteken achter het groter weergegeven woord “GO” in de tekens van AB Safety de nadruk eerder legt op dit begrip in de tekens die door haar gebruikt worden, daar waar dit in het merk van Industrias niet het geval is en de woorden “GO” en “SAFE” daarin even prominent zijn. Dit doet echter geen afbreuk aan een grote begripsmatige overeenstemming tussen het merk en de daarmee vergeleken tekens (oud en nieuw) gebruikt door AB Safety.
Wat de visuele overeenstemming betreft, stelt het hof vast dat de betrokken tekens (zowel het oude als het nieuwe) overeenstemmend zijn met het merk van Industrias in zover zij beide de woordelementen “GO” en “SAFE” bevatten.
(…)
21. Het hof oordeelt op basis van hetgeen voorafgaat dat het merk van Industrias en de daarmee te vergelijken tekens (zowel het oude als het nieuwe) eenzelfde totaalindruk oproepen voor het relevante publiek, niettegenstaande het hoge aandachtsniveau van dit laatste en dat, mede rekening houdend met het gegeven dat het merk en de tekens gebruikt worden voor dezelfde waren, er in casu sprake is van verwarringsgevaar, zoals hiervoor omschreven.

Merkenrecht. Shoe Branding verricht een merkdepot voor twee parallelle strepen op een broek / mouw. Dit wordt geweigerd op absolute gronden, vanwege het niet onderscheidend vermogen. Het patroon is extreem eenvoudig, aanvrager heeft ook niet aangetoond dat onder een bepaalde hoek plaatsen van de lijnen onderscheidend vermogen geven aan het patroon. Het beroep wordt verworpen.
Merkenrecht. K-Swiss verzoekt via een internationale registratie voor de EG om een positie-beeldmerk voor vijf strepen op een schoen. Het BHIM weigert (terecht) de inschrijving vanwege gebruik aan onderscheidend vermogen. De strepen zijn niets meer dan een nogal banaal generieke verfraaiing gezien de wijdverbreide praktijk van het plaatsen van streeppatronen op sportschoenen. Beroep wordt verworpen.
Uitspraak ingestuurd door Ernst-Jan Louwers,
Merkenrecht. FC Barcelona heeft merkaanvraag gedaan voor de de omlijning van haar FCB-logo. Het OHIM verwierp deze aanvraag en het Gerecht gaat hierin mee. Volgens het Gerecht bezit het teken geen karakteristieken die de aandacht van de consument kan trekken en zal slechts als een vorm worden waargenomen. Het beroep wordt afgewezen op grond van gebrek aan onderscheidend vermogen.
Merkenrecht. Recht op gebruik eigen naam. Depot ter kwader trouw. Eiseressen exploiteren een bedrijf in metaalconstructies onder de handelsnaam “Geldof metaalconstructie”. Zij vorderen, op grond van deze oudere handelsnaam, de doorhaling van het door mevrouw Geldof gedeponeerde Benelux merk GELDOF en beroepen zich hierbij op depot ter kwader trouw. De rechtbank oordeelt dat er inderdaad sprake van kwader trouw is nu zonder toestemming en concrete intentie tot gebruik is gedeponeerd en vernietigt het merkdepot. De vordering tot een verbod op nieuwe registratie wijst de rechtbank af, omdat zij niet kan ingrijpen op uitoefening van hypothetische rechten.
Uitspraak aangebracht door Hannes Abraham, Philippe Péters en Tanguy de Haan,
Uitspraak aangebracht door Jeroen Muyldermans,
Merkenrecht. Beeldmerk. Omega heeft een gemeenschapsbeeldmerkaanvraag gedaan dat door het BHIM wordt geweigerd op absolute gronden, het ontbreekt aan onderscheidend vermogen. De gemiddelde consument beperkt zich tot een oppervlakkig onderzoek naar het merk dat slechts een gestyleerde versie van de letter oméga voorstelt. Het beroep wordt verworpen.
Merkenrecht. Vormmerk. Aanvraag voor driedimensionaal gemeenschapsmerk in de vorm van een spellendoos wordt afgewezen op absolute grond, vanwege gebrek aan onderscheidend vermogen. Het BHIM kan zich baseren op algemeen bekende feiten die volgen uit de praktische ervaring die doorgaans wordt opgedaan bij de commercialisering van algemene verbruiksgoederen, zonder dat het nodig is specifieke voorbeelden aan te geven. Het beroep wordt verworpen.