IEFBE 2878

Conclusie AG: criteria modellenbescherming niet toepassen op auteursrechtelijke bescherming

Conclusie AG 2 mei 2019, IEF 18448, IEFbe 2878; ECLI:EU:C:2019:363 (Cofemel tegen G-Star Raw CV) Auteursrecht. Modellenrecht. G-Star stelde dat verzoekster inbreuk maakte op zijn auteursrecht door o.a. identieke kledingstukken. Cofemel bracht in dat de kledingstukken geen ‘artistieke creaties in juridische zin’ zijn, aangezien ze niet oorspronkelijk zijn en niet bekend is aan wie de desbetreffende auteursrechten toebehoren.
In tweede aanleg kwamen rechters tot de conclusie dat de broeken van het model ARC en het grafisch ontwerp van het model ROWDY auteursrechtelijk moeten worden beschermd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2(1)i van het Portugees wetboek van auteursrechten en de naburige rechten (hierna: CDADC). Gelet op de vernieuwende aard en oorspronkelijkheid ervan, evenals hun esthetische waarde, die vrucht is van de intellectuele schepping door de auteur ervan. Verzoekster Cofemel stelde cassatieberoep in bij de verwijzende rechter [IEF 17471].

De AG beantwoordt de prejudiciele vragen van de Supremo Tribunal de Justiça als volgt:

1) Artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, zoals uitgelegd door het Hof, verzet zich ertegen dat industriële tekeningen en modellen slechts auteursrechtelijk worden beschermd indien zij een sterker artistiek karakter vertonen dan normaliter wordt geëist van andere categorieën van werken.

2) Bij een verzoek om auteursrechtelijke bescherming van een industriële tekening of een industrieel model moet de nationale rechter rekening houden met de specifieke doelstellingen en mechanismen van het auteursrecht, zoals de bescherming, niet van ideeën, maar van de uitdrukkingen ervan, en de criteria om van een inbreuk op de exclusieve rechten te kunnen spreken. De nationale rechter mag de specifieke criteria die voor de modellenbescherming gelden niet toepassen op de auteursrechtelijke bescherming.”

Prejudicieel gestelde vragen:
1) Staat de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven uitlegging van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG in de weg aan een bepaling van nationaal recht – in de onderhavige zaak artikel 2, lid 1, onder i), van de Código de Direitos de Autor e Direitos Conexos (CDADC) – die auteursrechtelijke bescherming verleent aan werken van toegepaste kunst, industriële tekeningen en modellen en designwerken die, afgezien van het utilitaire doel dat ze nastreven, vanuit esthetisch oogpunt een eigen en onderscheidend visueel effect opwekken, waarbij de oorspronkelijkheid van het werk het fundamentele criterium is voor de verlening van auteursrechtelijke bescherming? 

2) Staat de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven uitlegging van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG in de weg aan een bepaling van nationaal recht – in de onderhavige zaak artikel 2, lid 1, onder i), van de CDADC – die aan werken van toegepaste kunst, industriële tekeningen en modellen en designwerken auteursrechtelijke bescherming verleent indien zij na een zeer grondige beoordeling van het artistieke karakter ervan en rekening houdend met de heersende ideeën in culturele en institutionele kringen de kwalificatie „artistieke creatie” of „kunstwerk” verdienen?