IEFBE 1824

Geen verzoek tot herstel in vorige toestand bij beroepsinstantie binnen twee maanden gedaan

Gerecht EU 8 juni 2016, ECLI:EU:T:2016:338; IEF 16006; IEFbe 1824; T-583/15 (Monster Energy - Vredessymbool)
Merkenrecht. Procesrecht. Aanvraag voor Uniebeeldmerk dat een vredessymbool afbeeldt. Het merk is geweigerd, bij fax heeft verzoekster - nadat zij was nagegaan hoe de zaak vorderde - aangevoerd dat zij geen kennisgeving had ontvangen en bijgevolg verzocht om een nieuwe beroepstermijn. Het verzoek tot herstel in de vorige toestand en dat haar Uniemerkaanvraag in het register blijft ingeschreven wordt afgewezen. De termijn om beroep in te stellen bij het Gerecht, binnen twee maanden nadat de verhindering waardoor dit niet vroeger kon worden ingesteld, is geëindigd. Binnen dezelfde termijn diende het verzoek tot herstel in de vorige toestand te worden ingediend bij de instantie die bevoegd is om op dit beroep te beslissen, namelijk het Gerecht. Het beroep wordt afgewezen.

8        Bij e-mail van 10 juli 2014 heeft de eenheid „Klachten” van de dienst „Contact met de gebruikers” van het EUIPO verzoekster geantwoord dat de eerste beslissing haar ter kennis was gebracht bij fax van 20 december 2013, zoals bleek uit het verzendingsrapport van het toestel dat voor de verzending was gebruikt, dat naast de datum, het uur en het nummer van de ontvanger, de vermelding „OK” bevatte. Zij heeft daaraan in wezen toegevoegd dat het Gerecht bevoegd was om kennis te nemen van een beroep tegen de eerste beslissing en dat het de ontvankelijkheid van het beroep zou beoordelen gelet op de omstandigheden en de overgelegde bewijzen.

13      Opdat zij in haar rechten om de eerste beslissing bij het Gerecht te betwisten zou worden hersteld en haar Uniemerkaanvraag in het register van het EUIPO ingeschreven zou blijven gedurende de procedure voor de Unierechter, heeft verzoekster in dit verzoek melding gemaakt van omstandigheden en incidenten waardoor zij, ondanks alle door haar betrachte zorgvuldigheid, pas op 17 juni 2014 van deze beslissing kennis heeft genomen. Zij stelt dat zij de kennisgeving van de eerste beslissing van 20 december 2013 niet heeft ontvangen. Het EUIPO moet volgens haar bijgevolg aangeven dat bij de beoordeling van de naleving van de termijn om de zaak bij het Gerecht aanhangig te maken ervan moet worden uitgegaan dat deze op 17 juni 2014 is ingegaan, en de door verzoekster ingediende Uniemerkaanvraag opnieuw in zijn register inschrijven.

49      Artikel 81 van verordening nr. 207/2009 bevat immers een lid 2 waarin wordt aangegeven dat de nog niet verrichte handeling alsnog binnen de termijn voor de indiening van het verzoek tot herstel in de vorige toestand moet geschieden, dit wil zeggen binnen twee maanden nadat de verhindering is geëindigd. In lid 4 van dit artikel wordt aangegeven dat „de instantie die bevoegd is te beslissen over de niet verrichte handeling, beslist over het verzoek”. De nog niet verrichte handeling is de handeling die had moeten worden verricht binnen de termijn die het verzoek beoogt opnieuw te doen ingaan, welke handeling ertoe strekt een recht te verkrijgen of een beroep uit te oefenen.