IEFBE 2918

Inzage-incident leidt tot strijd goede procesorde

Rechtbank Den Haag 24 juli 2019, IEF 18609, IEFbe 2918; ECLI:NL:RBDHA:2019:7528 (Abbott tegen Kamstra) 843a Rv-incident. Goede procesorde. Zie eerder [IEF 17126] [IEF 17132] [IEF 18193]. Het gaat in de hoofdzaak om een art. 843a Rv-incident. Kamstra vordert het incident tegen Abbott en is gericht op enige instructie van de hoofdzaak. Het dient echter enkel en alleen de vrijwaringszaak. Dit past niet in het systeem van Rv en leidt tot met de goede procesorde strijdige vertraging in de hoofdzaak en levert in dit geval ook misbruik van recht op, omdat het een op voorhand zinloze vordering is. Voor zover het incident is ingesteld met het oog op het voeren van verweer in de hoofdzaak en een voorgenomen reconventionele vordering, is het een buiten de reikwijdte van artikel 843a Rv vallende fishing expedition. De rechtbank wijst de inzage vordering dus af.

3.12. Incidentele beslissingen strekken tot instructie van de zaak. Als daarop bij afzonderlijk vonnis wordt beslist, is dat een tussenvonnis waarop art. 337 lid 2 Rv van toepassing is en geen eindvonnis waarmee in het dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan het geding.5 Hieruit volgt dat een op art. 843a Rv gebaseerde vordering, die als incident wordt ingesteld in een lopende procedure, moet strekken tot instructie van de zaak. Voor zover Kamstra cs de bescheiden vorderen met het oog op de vrijwaringsprocedure, hebben zij het incident opgeworpen tegen Abbott cs als derden en is het incident niet gericht op enige instructie van de hoofdzaak, maar dient het enkel en alleen de vrijwaringszaak. Dit past niet in het systeem van Rv.

3.13. Het – ook bij een voortvarende afhandeling van het incident – enige tijd stilliggen van de hoofdzaak om door middel van dit exhibitie-incident bewijs te vergaren voor de vrijwaringszaak, is bovendien niet te verenigen met de eisen van de goede procesorde, terwijl Kamstra cs in dit geval door een op voorhand zinloze vordering in te stellen, tot slot misbruik van recht hebben gemaakt met de incidentele vordering met het oog op bewijsvergaring voor de vrijwaringszaak. Niet valt namelijk in te zien welk rechtmatig belang Kamstra cs kunnen hebben bij exhibitie met het oog op de vrijwaringszaak, waarin zij reeds een dagvaarding hebben uitgebracht en verstek is verleend tegen de niet verschenen gedaagden. De volgende stap in de vrijwaringszaak is het wijzen van vonnis, dat echter is aangehouden in afwachting van het eindvonnis in de hoofdzaak. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – kan niet worden aangenomen dat enige nadere substantiëring van de vorderingen van Kamstra cs in de vrijwaringszaak procedure aan de orde zal zijn.

3.14. De slotsom luidt dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Nu het entameren van dit incident voor zover het ziet op bewijsvergaring voor de vrijwaringsprocedure als strijdig met de goede procesorde en misbruik van recht is aangemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek van Kamstra cs om de proceskostenveroordeling in het incident aan te houden tot het eindvonnis in de hoofdzaak te honoreren. Zij worden als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident.