IEFBE 3219

Prejudiciële vragen over het verlenen van een licentie en FRAND-voorwaarden

Landgericht Düsseldorf 23 maart 2021, IEF 19958, IEFbe 3219; C-182/21 (Nokia tegen Daimler)  Daimler heeft zonder licentie telecommunicatietechnologie van Nokia gebruikt. Tegelijkertijd wil Nokia geen licentie tegen FRAND-voorwaarden verlenen aan de leveranciers van Daimler. Daimler is van mening dat er sprake is van misbruik van machtspositie aan de kant van Nokia. De Duitse rechter heeft in deze zaak een aantal prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van het verbod van misbruik, het verlenen van licenties en de verhouding tot FRAND-voorwaarden.  

A. Bestaat er een verplichting om prioritair een licentie te verlenen aan de toeleveranciers?

1. Kan een onderneming in een latere productiefase zich ter betwisting van de vordering tot staking van een octrooi-inbreuk, ingesteld door de houder van een octrooi dat essentieel is voor een door een standaardisatieorganisatie opgestelde standaard (SEO), die jegens deze organisatie de onherroepelijke verbintenis is aangegaan om aan derden een licentie tegen FRAND-voorwaarden te verlenen, beroepen op misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU wanneer de standaard waarvoor het litigieuze octrooi essentieel is, respectievelijk delen daarvan, reeds wordt toegepast in een onderdeel dat is betrokken door de verwerende onderneming, en haar leveranciers bereid zijn om een licentie te nemen, maar de octrooihouder weigert voor de producten die de standaard gebruiken tegen FRAND-voorwaarden een eigen onbeperkte licentie te verlenen voor alle octrooirechtelijk relevante [Or. 4] vormen van gebruik?

(...)

2. Vereist het in het mededingingsrecht neergelegde verbod van misbruik dat de toeleverancier voor alle octrooirechtelijk relevante vormen van gebruik tegen FRAND-voorwaarden een eigen onbeperkte licentie wordt verleend voor producten die de standaard gebruiken, zodat eindverkopers (en in voorkomend geval de afnemers in een eerder stadium) zelf geen eigen, afzonderlijke licentie van de SEO-houder meer nodig hebben om in het geval van een bestemmingsconform gebruik van het betrokken geleverde onderdeel een octrooi-inbreuk te vermijden? 

3. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: stelt artikel 102 VWEU bijzondere kwalitatieve, kwantitatieve en/of andere eisen aan de criteria op grond waarvan de houder van een standaardessentieel octrooi beslist tegen welke potentiële inbreukmakers op verschillende niveaus van dezelfde productie- en waardeketen hij een vordering tot staking van een octrooi-inbreuk instelt?