DOSSIERS
Alle dossiers

Merkenrecht - Droit des marques  

IEFBE 2

Stand van zaken (2)

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 10 januari j.l. inzake Mora-Unilever/Lévèrdo, in aansluiting op dit eerdere bericht (met dank aan Charles Gielen, NautaDutilh). Het Hof stelt aan het Benelux Gerechtshof de volgende vier prejudiciële vragen betreffende de toepassing van artikel 37A en B BMW:

1. Kan de rechter zijn bevoegdheid ook vaststellen op grond van het criterium 'plaats waar de in het geding zijnde verbintenis is ontstaan, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd' wanneer een inbreuk op een geregistreerd merk op zijn nationaal territorium niet kan worden vastgesteld?

2. Dient met het oog op de uitlegging van deze bepalingen waar ze de bevoegdheid van de rechter bepalen door 'de plaats waar de in het geding zijnde verbintenis is ontstaan, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd' wanneer de in geding zijnde verbintenis het doen ophouden van een merkinbreuk betreft, te worden aangenomen dat de rechter bevoegd is van de plaats waar het beweerde inbreukmakende product wordt aangetroffen ten aanzien van de gedaagde partij die het merk heeft aangebracht op het product of de verpakking, of is hiertoe daarenboven vereist dat er minstens een actief verband bestaat tussen de aanwezigheid van het beweerde inbreukmakende product op het nationale grondgebied van die rechter en de gedaagde partij?

3. Houdt de uitdrukkelijke vaststelling van de bevoegdheid noodzakelijkerwijs in dat zij  de vordering als zodanig in haar geheel betreft of kan de rechter eventueel vaststellen dat hij bevoegd is voor een onderdeel van de vordering en niet bevoegd voor een ander onderdeel ervan?

4. Indien de gedeeltelijke bevoegdheid niet kan worden vastgesteld, moet de omstandigheid dat zij in een gegeven geval zou kunnen worden vastgesteld de rechter dan leiden tot het besluit dat bevoegdheid over een onderdeel van de vordering met zich brengt dat hij bevoegd is voor de vordering als zodanig dan wel dat hij geheel onbevoegd is? Lees het volledige arrest hier

IEFBE 660

Hof van Cassatie stelt vraag over artikel 2.17 lid 1 BVIE

Hof van Casssatie van België 11 januari 2013, C.11.0607.N (Parfumerie ICI Paris XL tegen Publication France Monde)
Merkenrecht. Prejudiciële vraag. “Moet artikel 2.17, eerste lid, BVIE, in het licht van de arresten A 2005/1 en A 2008/1, zo worden uitgelegd dat de daarin vermelde rechterlijke beroepsinstanties kennis kunnen nemen van nieuwe feitelijke gegevens die worden overgelegd in het kader van aanspraken die in dezelfde oppositieprocedure reeds werden geformuleerd voor het BBIE?" Antwoord: IEFbe 648.

IEFBE 4075

Ontwerper-naam als merk: wanneer kan misleidend gebruik leiden tot verval?

HvJ EU - CJUE 18 dec 2025, IEFBE 4075; ECLI:EU:C:2025:986 (PMJC SAS tegen [W] [X], [M] [X], [X] Créative SAS), https://www.ie-forum.be/artikelen/ontwerper-naam-als-merk-wanneer-kan-misleidend-gebruik-leiden-tot-verval

HvJ EU 18 december 2025, IEF 23188; IEFbe 4075; ECLI:EU:C:2025:986 (PMJC SAS tegen [W] [X], [M] [X], [X] Créative SAS). Het Hof van Justitie kreeg van de Franse Cour de cassation de vraag hoe de vervalgrond wegens misleiding moet worden uitgelegd (art. 12(2)(b) Richtlijn 2008/95 en art. 20(b) Richtlijn 2015/2436). In het hoofdgeding ging het om twee merken die overeenkomen met de familienaam van een modeontwerper. Die merken waren na een overname overgedragen aan PMJC. De ontwerper werkte nog tot eind 2015 samen met PMJC, maar later ontstond een conflict: PMJC stelde o.a. merkinbreuk en oneerlijke mededinging, terwijl de ontwerper in reconventie stelde dat PMJC de merken daarna zo gebruikte dat het publiek dacht dat hij nog steeds de ontwerper was van de betrokken producten. Het Franse hof van beroep verklaarde de merkrechten deels vervallen, mede omdat PMJC producten op de markt bracht met decoraties uit het creatieve “universum” van de ontwerper en daarbij (volgens eerdere veroordelingen) inbreuk maakte op diens auteursrechten, waardoor consumenten konden denken dat het om door hem ontworpen werken ging.

IEFBE 3994

Gebruik als variëteitsnaam is geen merkgebruik: SEQUOÏA vervallen verklaard

Gerecht EU - Tribunal UE 24 sep 2025, IEFBE 3994; ECLI:EU:T:2025:915 (Rústicas del Guadalquivir SL tegen EUIPO), https://www.ie-forum.be/artikelen/gebruik-als-varieteitsnaam-is-geen-merkgebruik-sequoia-vervallen-verklaard

Gerecht EU 24 september 2025, IEF 22956; IEFbe 3994; ECLI:EU:T:2025:915 (Rústicas del Guadalquivir SL tegen EUIPO). Deze zaak gaat over het EU-woordmerk SEQUOÏA, dat is ingeschreven voor verse groenten en fruit (klasse 31). De centrale vraag is of het merk gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar daadwerkelijk op normale wijze in de Unie is gebruikt, zoals bedoeld in artikel 58, lid 1, onder a), van de Uniemerkenverordening . In 2022 dienen Fall Creek Farm and Nursery, Inc. en Fall Creek Farm & Nursery Europe SRL een verzoek tot vervallenverklaring in, met het argument dat het merk in de relevante periode niet daadwerkelijk in het economisch verkeer wordt gebruikt. Het EUIPO wijst dit verzoek volledig toe en verklaart het merk vervallen. Op 30 april 2024 bevestigt de Kamer van Beroep dit besluit. De merkhouder, Rústicas del Guadalquivir SL, stelt vervolgens beroep in bij het Gerecht. In die procedure staat uitsluitend de aard van het gebruik ter discussie; plaats, tijd en omvang van het gebruik zijn niet betwist. De merkhouder legt licentieovereenkomsten, facturen, transportdocumenten, advertenties en verklaringen over, waarin Sequoia vaak als fruitvariëteit wordt aangeduid. In enkele stukken verschijnt de aanduiding als merk of met het ®-symbool. Volgens de merkhouder is Sequoia geen plantenras, maar een merk of identificatieteken voor specifieke fruitproducten, dat bovendien aansluit bij de gebruikelijke praktijk in de fruitsector.