DOSSIERS
Alle dossiers

Octrooirecht - Droit des brevets  

IEFBE 892

Abus du droit de brevet - Attitudes contradictoires

Cour d'appel de Mons 2 décembre 2013, IEFbe 892 (X contre Green&Company)
Droit de brevet. L’appelant en tant qu’inventeur d’un outil de jardin, appelé "le rigolet", a obtenu le brevet d'invention belge n° 09800289 protégeant cet outil. En vue de développer la commercialisation de l’outil en question, il a noué des liens avec des partenaires qu’il accuse par la suite d’actes de contrefaçon. La Cour dit la demande non fondée. Elle décide que si, techniquement, il y a des actes de contrefaçon, l’appelant ne peut s’en prévaloir. En intentant l’action, l’appelant a abusé de son droit car, d’une part, il avait encouragé la commercialisation du rigolet par les intimés et, d’autre part, ceux-ci ont spontanément cessé tout acte de contrefaçon. Sur le plan des faits, il est constant que l’appelant a autorisé les intimés à détenir "à titre expérimental et fabrication de quelques exemplaires: un rigolet, dix feuillets descriptifs (plan) et huit plans avec côtes et caractéristiques de fabrication". La Cour déclare l’appel recevable mais non fondé. Par conséquent, le jugement dont appel est confirmé.
Lees verder

IEFBE 887

UPC implementing the Patent Package, Second progress report

Unified Patent Court 'Implementing the Patent Package: Second progress report', 6 june 2014.
Since the last information provided to the Competitiveness Council at its meeting of December 2013, the Select Committee has:
- completed the second reading of the draft Rules relating to the Unitary Patent Protection;
- adopted the Rules for the compensation scheme for reimbursing translation costs for applicants having obtained a European patent with unitary effect;
- had several exchanges of views on the measures to be taken at national level to accompany the Unitary Patent Protection;
- adopted the timeline of its work for 2014.

During the next meetings to be held until the end of this year, the Select Committee will concentrate its work on the financial and budgetary aspects of the implementation of the Unitary Patent Protection in particular on projections of scenarios for the level of renewal fees and estimations of costs for the administration of the Unitary Patent Protection.

(...) Read the Second progress report

IEFBE 878

HvJ EU: Beschermstof kan product zijn in de zin van de ABC-Verordening

HvJ EU 19 juni 2014, IEFbe 878, zaak C-11/13 (Bayer CropScience) - dossier
Zie prejudicieel verzoek IEFbe 343. Uitlegging van de begrippen "product" en "werkzame stof" in de artikelen 1, punten 3 en 8, alsook 3, lid 1, van ABC-verordening nr. 1610/96. Isoxadifen eventueel daaronder begrepen. Het HvJ EU verklaart voor recht:

Het begrip „product” in artikel 1, punt 8, en artikel 3, lid 1, van [ABC-verordening], en het begrip „werkzame stoffen” in artikel 1, punt 3, van deze verordening, moeten aldus worden uitgelegd dat een stof die bestemd is voor gebruik als beschermstof daaronder kan vallen, mits deze stof een eigen toxische, fytotoxische of gewasbeschermende werking heeft.

Gestelde vraag:

Moeten de begrippen product in artikel 3, lid 1, en artikel 1, punt 8, en werkzame stof in artikel 1, punt 3, van verordening nr. 1610/96 aldus worden uitgelegd dat ook een beschermstof daaronder valt?
IEFBE 860

Annulation d’un brevet portant sur un procédé de filtration par membranes déformables

Tribunal de commerce de Mons 23 mai 2013, IEFbe 860 (Meura contre Talleres Landaluce et Coexin)
Décision envoyée par Renaud Dupont, CMS. Brevet. MEURA est active dans le développement et la commercialisation de matériel pour l'industrie brassicole. Elle commercialise notamment un filtre à maische à membranes. TALLERES LANDALUCE a distribué, pendant une certaine période, les produits de MEURA en Espagne. MEURA sollicite l'annulation du brevet accordé à TALLERES LANDALUCE [fluide de gonflage de la membrane injecté à bass pression]. De son côté, TALLERES LANDALUCE soutient la validité de son brevet. Décision : pas plus que la première version, les revendications 1, 4 et 6 nouvelles ne font preuve d'une activité inventive suffisante. Le brevet décerné à la SA TALLERES LANDALUCE est donc nul, pour défaut de nouveauté et/ou d'activité inventive. Dès lors que ces motifs suffisent à justifier la demande d'annulation. Le brevet espagnol paraît être le fruit de recherches concernant l'utilisation d'un procédé de filtration par membranes déformables.

Voir pages 12, 13

IEFBE 858

Inbreuk op verbeterd aerosol spuitbus ventiel

Rechtbank van Koophandel Gent 5 juni 2014, IEFbe 858 (Clayton tegen A)
Uitspraak ingezonden door Steven Cattoor, Hoyng Monegier LLP. Octrooirecht. Gerechtelijke recht. Verhouding EOB-oppositie. Clayton is houdster van EP 1 789 343 voor een 'Verbeterd aerosol spuitbus ventiel' en vordert inbreukstaking. A vordert nietigverklaring van Belgische luik en verzoekt dat de zaak geschorst zou worden totdat het EOB uitspraak zal hebben gedaan omtrent de door haar ingestelde oppositie. De rechtbank oordeelt het opportuun om de nietigheidsvordering op te schorten hangende de oppositie, en verzoekt het EOB per brief om de deze versneld te behandelen.

De inbreukvordering kan volgens de rechtbank evenwel niet geschorst worden nu dit de beschermingsduur van het octrooi volledig zou uithollen en vooralsnog niet werd aangetoond dat het zeer waarschijnlijk zou zijn dat de oppositie zal slagen. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat aerosolventielen en spuitbuskleppen vervaardigd uit een glasgevulde polyolefine met glasinhoud tussen 3% en 30% of enkele tienden van een procent buiten deze marge een inbreuk uitmaken op het octrooi van Clayton.

Het beweerde recht op persoonlijk voorgebruik wordt afgewezen, en een deskundigenonderzoek wordt bevolen om de rechtbank bij te staan in de schadebegroting. Clayton kan volgens de rechtbank tenslotte geen aanspraak maken op een “redelijke vergoeding” onder Art. 67(3) EOV en Art. 29 BOW (toepassing van de uitvinding hangende de aanvraag, voorafgaand aan de verlening) nu de nodige vertaling niet werd neergelegd of aan A meegedeeld, en het in elk geval niet bewezen wordt geacht dat A van de octrooiaanvraag op de hoogte was.

IEFBE 836

Vakman kon met een verrekijker vanaf de straat waarnemen

Hof van Beroep Gent 5 mei 2014, IEFbe 836 (appellant tegen Renolit Belgium)
Uitspraak ingezonden door Fernand De Visscher en Tineke Van Hoey, Simont Braun. Octrooi nietig. Openbaar karakter ingeroepen anterioriteit. Geen vermoeden van geheimhouding bouwvakkers van werf waar een dak wordt geplaatst. Appellant is houder van EP 964 968, verleend op basis van een Belgische octrooiaanvraag BE 9700180 met prioriteit, voor een dakbedekkingssysteem. Bij de Rechtbank van Eerste Aanleg werden EP 968 en BE 180 nietig verklaard. Tijdens de beroepsprocedure is het Europees octrooi ingeperkt. Een nieuwe anterioriteit, een dakbedekking van een gebouw in Denemarken, kwam aan het licht. Appellant betwist het openbaar karakter van deze dakbedekking en vordert verklaring van octrooirechtinbreuk. De octrooien zijn nietig, met veroordeling in de de basisvergoeding van de rechtsplegingsvergoeding. Omtrent het openbaar karakter van de ingeroepen anterioriteit en in het bijzonder het argument van de vertrouwelijkheid oordeelt het hof als volgt:

23. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat tijdens de constructie de werken aan het oog van de arbeiders op de werf, van de werknemers in het bedrijf en van de voorbijgangers onttrokken werd. Daarom is deze zaak feitelijk te onderscheiden van de rechtspraak van het EOB die de heer … aanvoert.

De werknemers die het dak gelegd hebben, moeten kennis gehad hebben van materialen en techniek. Een geheimhoudingsclausule in de arbeidsovereenkomst van de dakleggers ligt niet voor. Er dient niet zonder meer van uit gegaan te worden dat de dakleggers en andere bouwvakkers gebonden waren door een verplichting tot geheimhouding.

Tegenover het gebouw met het nieuwe dak ligt een ander gebouw van Dong. Vanuit dat gebouw is het dak rechtstreeks waarneembaar. Het hof heeft geen argumenten om de verklaring, dat de werknemers van Dong op de site verder gewerkt hebben tijdens de renovatiewerken, buiten beschouwing te laten.

Ook bezoekers en klanten van Dong bleven toegang hebben tot de gebouwen van Dong inclusief het gerenoveerde gebouw (…).

De eerste tien foto’s tonen het dak vanaf de straat naast het gebouw. Het is zelfs zichtbaar voor een belangstellende waarnemer. Een vakman, kan eventueel met behulp van een verrekijker, de vormen en materialen waarnemen.

De mogelijkheid tot kennisname van de technische kenmerken van de dakbedekkingsconstructie en de mogelijkheid tot ongehinderde overdracht van deze technische kennis zijn derhalve voldoende aangetoond.”

IEFBE 833

Vraag aan HvJ EU over samengesteld voorwerp en bestanddelen

Prejudiciële vragen aan HvJ EU 6 mei 2014, IEFbe 833, zaak C-106/14 (FCD et FMB) - dossier
Als randvermelding. REACH - octrooi - samengestelde voorwerpen. Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH). Een verwijzingsbeschikking van vier pagina’s en een korte vraag. Er zijn al vaak vragen over de begrippen samengesteld versus bestanddelen gesteld in het kader van octrooien. Nu dan in verband met de chemische samenstelling van een voorwerp.

Verzoeksters, overkoepelende organisaties voor het MKB, komen op tegen een beschikking van Franse Ministerie van Milieu van oktober 2011 waarmee zij verplicht worden inlichtingen te verstrekken over de stoffen in voorwerpen, en de daarin opgenomen drempel van 0,1%. Deze verplichting is op grond van de REACH-Vo. 1907/2006 bekend gesteld via een “kennisgeving aan de marktdeelnemers (…)“. Verzoeksters menen dat er verschil is tussen de uitleg van het begrip “voorwerp” door het Europees Agentschap voor chemische stoffen dan door de Europese Commissie (in een nota van 04-02-2011). Het gaat dan om voorwerpen die bestaan uit verschillende bestanddelen die zelf ook weer beantwoorden aan de door Vo. 1907/2006 gegeven definitie van het begrip “voorwerp”.

De verwijzende Franse Raad van State heeft voor de juiste uitleg een antwoord van het HvJ EU nodig op de volgende vraag:

„Gelden, wanneer een “voorwerp” in de zin van verordening nr. 1907/2006 (Reach) is samengesteld uit meerdere bestanddelen die zelf beantwoorden aan de in deze verordening gegeven definitie van “voorwerp”, de verplichtingen van de artikelen 7, lid 2, en 33 van deze verordening alleen ten aanzien van het samengestelde voorwerp of ten aanzien van elk bestanddeel ervan dat aan de definitie van “voorwerp” beantwoordt?”
IEFBE 820

Titulaire inexistant: brevet et marques annulés

Cour d'Appel de Liège 18 février 2014, IEFbe 820 (AGMB contre Ville de Liège)
Resumé par Thibaut D’hulst, Van Bael & Bellis. Décision envoyée par Jean-François Henrotte et Alexandre Cruquenaire, Philippe & Partners et Philippe Mottard, Mottard & Jeanray. Update 12 mei: Recours en cassation a été interjeté contre cette décision. Brevet. Marques. Les parties appelantes prétendent être titulaires des marques « Télé-police » et « Télépolice Vision », ainsi que du brevet d’invention BE1018126A5 portant sur un système d’alarme. Après réouverture des débats [IEFbe 798], la Cour d’Appel de Liège a constaté que le siège social aux Etats-Unis auquel se référait l'un des appelants, la société FTW, n'était en réalité qu'une boîte postale, et que le réel siège de ses activités se situait en Belgique. La société FTW est donc régie par le droit belge. Or, la société FTW n'a pas de personnalité juridique au regard du droit belge.

 

« L’intimée infère à bon droit, qu’en ce qui concerne l’intérêt personnel et légitime à agir en justice de la société FTW, la circonstance que cette société n’a pas de personnalité juridique au regard du droit belge écarte toute possibilité d’agir dans son chef ».

La demande de brevet transmise à la Cour par l’SPF Economie identifie la société « TELEMANAGEMENT » comme étant le demandeur du brevet. Or, la Cour constate que cette société n’a pas de personnalité juridique. Elle décide, partant, d’annuler le brevet étant donné que seul l’inventeur ou son ayant-droit peut valablement déposer une demande de brevet, et qu’une entité dépourvue de personnalité juridique ne peut être titulaire d'un brevet et des droits qui s'y rattachent.
Quant à l’action en cessation fondée sur les marques Benelux verbale et figurative « Telepolice » et « Telepolice-Vision », il y a lieu de constater que ces marques ont été déposées par la société « FTW » qui est dépourvue de personnalité juridique. Par conséquent, les marques déposées au nom de cette société doivent être déclarées nulles.

Quant à l’action en cessation fondée sur les noms commerciaux « Télépolice » et « Telepolice-Vision », la Cour rappelle que les organismes publics peuvent tomber dans le champ d’application de la loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché et à la protection du consommateur, mais uniquement pour ce qui concerne leurs activités qui ne relèvent pas de l’exercice de la puissance publique ou de leur mission légale d’intérêt général. A ce titre, la Cour considère

« qu’en mettant à la disposition de certains commerces un système de télésurveillance directement relié aux services de police, la Ville de Liège accomplit assurément des actes qui ressortissent à sa mission d’intérêt général […] ».

Par conséquent,

« l’intimée n’est pas une entreprise susceptible de porter atteinte aux intérêts professionnels […] au sens de la loi du 6 avril 2010. »

Enfin, en ce qui concerne la demande reconventionnelle, la Cour d’Appel considère qu' 

« en se prévalant d’un brevet octroyé à une entité juridique inexistante et de brevets américains dont l’existence n’a jamais été démontrée, les appelants se livrent à un publicité agressive et trompeuse. »

 

IEFBE 785

Inbreuk op octrooi 'eindkap met veer voor glasvezelbuis'

Hof van Beroep Gent 20 januari 2014, IEFbe 785 (Shadow Belgium tegen West Deco N.V.)
Octrooirecht. Appellante is houdster van BE 1015477 (A5). Zij vordert een verklaring voor recht dat door geïntimeerde gecommercialiseerde artikelen genaamd "eindkap met veer voor glasvezelbuis 6 mm" en "eindkap met veer voor glasvezelbuis 4 mm" worden verkocht op het Belgische territorium in strijd met de octrooirechten van appellante en dat aldus inbreuk wordt gemaakt. Het hof verklaart voor recht dat de genoemde artikelen inbreuk op octrooirechten maken en veroordeelt geïntimeerde binnen een maand na de betekening van het onderhavige arrest over te gaan tot de vernietiging, op haar kosten, van alle nog voorhanden zijnde bovenbeschreven artikelen; de terugroep van alle uitgeleverde en nog bij haar klanten voorhanden zijnde bovenbeschreven artikelen.

IV. [..] Uit de door de deskundige voorgelegde foto's én uitleg, blijkt dat de geïntimeerde bij zich, naar uitzicht en naar technische uitwerking, haast identieke - identiek met het voortbrengsel van de appellante op grond van haar octrooi - voorwerpen onder zich had. Of thans het oorspronkelijke octrooi dan wel dat van de gewijzigde conclusie [..] wordt aangehouden, is er duidelijk sprake van een ongeoorloofde namaak en bijgevolg inbreuk op het door de appellante ingeroepen octrooi.
Er is wél één verschil, met name dat er in de gelaakte voorwerpen van de geïntimeerde geen weerhoudrand is om het spiraal in de hulst vast te houden.

Naar de conclusies toe is dit aspect (afwezigheid van een weerhoudrand in de hulzen van de geïntimeerde) evenwel technisch zuiver bijkomend: wat bij de geïntimeerde wordt teruggevonden als voorwerpen, vervult wezenlijk deze functie, op wezenlijk dezelfde manier, om wezenlijk hetzelfde resultaat te bereiken. Hetzelfde resultaat uit zich als volgt, met name 'de werking van het spiraal in de hulzen teneinde een strak uitzicht te geven aan de optrekgordijnen'.

Er is wel degelijk een inbreuk op de octrooirechten van de appellante.
IEFBE 798

La Cour d'Appel de Liège fait appel à l'OPRI

Cour d'appel de Liège 14 mars 2013, IEFbe 798 (AGMD-FTW contre Ville de Liège)
Resumé par Thibaut D’hulst, Van Bael & Bellis. Décision envoyée par Jean-François Henrotte et Alexandre Cruquenaire, Philippe & Partners et Philippe Mottard, Mottard & Jeanray. Update 12 mei: Recours en cassation a été interjeté contre cette décision. Brevet. Marques. Les parties appelantes prétendent être titulaires des marques « Télé-police » et « Télépolice Vision », ainsi que du brevet d’invention BE1018126A5 portant sur un système d’alarme. Elles allèguent à ce titre que la police de Liège aurait porté atteinte à leurs droits. Le premier juge a estimé que le brevet d’invention était nul, que la marque figurative s’était éteinte par défaut d'usage et que les parties appelantes s'étaient rendues coupables de publicité trompeuse et d’agissements contraires aux usages honnêtes du marché.

La Cour d’Appel s’interrogeant sur l’identité des appelants, avec la décision du 14 mars 2013 elle a rouvert les débats afin d’établir si l’appelante FTW bénéficiait de la personnalité juridique et avait un intérêt personnel et légitime à agir en justice. Elle s'est ainsi demandé si l'appelante FTW a valablement pu déposer la marque figurative « Télé-police » et la marque verbale « Télépolice Vision ». En outre, la Cour a invité l’Office de la Propriété intellectuelle à déposer le formulaire de demande ainsi que d’autres documents concernant l’enregistrement du brevet litigieux.