DOSSIERS
Alle dossiers

Handelsnaamrecht - Nom commerciaux  

IEFBE 935

Merkinbreuk door gebruik 'Swiss Sense' en 'Sense'

Hof Den Haag 22 juli 2014, IEFbe 935 (Recticel tegen Swiss Sense)
Uitspraak ingezonden door Gert Jan van de Kamp, Park Legal en Luuk Jonker, Holla Advocaten. Merkenrecht. Zie eerder IEF 11749. Recticel is een Zwitserse onderneming die zich toelegt op de productie en verkoop van onder meer bedden en matrassen onder het merk SWISSFLEX en is houdster van een aantal merkregistraties. Swiss Sense is werkzaam op hetzelfde gebied en is houdster van een aantal Benelux-woord/beeldmerken. In vrijwel al deze merken komt het teken SWISS SENSE voor. De rechtbank heeft in eerste aanleg een aantal merkinschrijvingen van Swiss Sense nietig verklaard, omdat deze het Zwitserse staatsembleem bevatten. Recticel vordert terecht dat Swiss Sense inbreuk maakt op haar merkrechten. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verbiedt in het bijzonder gebruik van 'Swiss Sense' als handelsnaam, domeinnaam of als merk en van 'Sense' als merk.

Woordmerk SWISSFLEX versus woordmerk SWISS SENSE
21. Het hof stelt voorop dat het element SWISS het onderscheidende en dominante bestanddeel is van het merk SWISSFLEX en van het teken SWISS SENSE. SWISS springt in het oog, nu dit, zoals Recticel c.s. terecht heeft opgemerkt, geen voor de hand liggende aanduiding is in relatie tot de betrokken waren en diensten, terwijl de beide andere elementen (FLEX respectievelijk SENSE) in dit verband weinig zeggingskracht hebben. Daar komt bij dat het element SWISS zowel in merk als in teken het eerste deel van het merk is, en dat moet worden aangenomen dat het (ook daarom) meer aandacht krijgt bij het relevante publiek (de gemiddelde consument met een, gelet op de prijs van de betrokken waren, verhoogd aandachtniveau) dan het daaropvolgende element FLEX respectievelijk SENSE. Het bewijsaanbod van Swiss Sense in de memorie van antwoord onder 152, is naar het oordeel van het hof niet voldoende concreet; het is bovendien geen aanbod tot getuigenbewijs, terwijl bewijsstukken door Swiss Sense eigener beweging in het geding hadden moeten worden gebracht.

22. (…) In visueel opzicht stemmen merk en teken in behoorlijke mate overeen, omdat het (eerste en tevens onderscheidende en dominante) element SWISS in merk en teken identiek is, en omdat dat element wordt gevolgd door een woord van vier of vijf letters met een duidelijke aanwezigheid van de letter E. Weliswaar verschilt het woordbeeld enigszins doordat SWISSFLEX aan elkaar geschreven wordt terwijl SWISS SENSE uit twee losse woorden bestaat, maar dat legt naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal. Datzelfde geldt ook voor zover de twee bestanddelen van het teken SWISS SENSE in de praktijk worden geschreven met een hoofdletter.
In auditief opzicht stemmen merk en teken in aanzienlijke mate overeen. Het (eerste en tevens onderscheidende en dominante) element SWISS in merk en teken is identiek, terwijl de toevoegingen FLEX en SENSE worden gekenmerkt door de harde è-klank alsmede door de s-klank aan het eind. Dat de klemtoon, naar Swiss Sense stelt, verschillend wordt gelegd, maakt dit – voor zover dit al het geval zou zijn – niet anders. Datzelfde geldt voor de alliteratie in SWISS SENSE.
In begripsmatig opzicht stemmen merk en teken in zekere mate overeen. Het (eerste en tevens onderscheidende en dominante) element SWISS communiceert, zowel in merk als teken, immers een (positieve) associatie met Zwitserland (vgl. GEA 15 december 2011, zaak T-377/09, ECLI:EU:T:2011:753 (‘PASSIONATELY SWISS’)).

23. Wat betreft de (soort)gelijkheid van de betrokken waren en diensten overweegt het hof als volgt. Het merk SWISSFLEX van Recticel c.s. is ingeschreven voor, kort gezegd, slaapkamermeubilair, bedden, bedonderdelen, matrassen en kussens (productie 4 Recticel c.s.). Swiss Sense gebruikt het teken SWISS SENSE voor bedden (met name boxsprings), slaapkamermeubilair, slaapkamerartikelen en producten welke met de inrichting van slaapkamers te maken hebben (vgl. overweging 2.3 van het bestreden vonnis). Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van dezelfde, althans in verregaande mate soortgelijke waren en/of diensten. Het hof verwerpt daarmee ook het betoog van Swiss Sense dat de retaildiensten (de verkoop van voornoemde waren) waarvoor zij het teken Swiss Sense gebruikt, niet soortgelijk kunnen zijn aan de waren waarvoor Recticel c.s. haar merk heeft geregistreerd. Anders dan Swiss Sense lijkt te betogen (memorie van antwoord onder 135-138), is het immers mogelijk dat waren soortgelijk zijn aan diensten en andersom.

Woordmerk SWISSFLEX versus woord/beeldmerken SWISS SENSE met SWISS SENSE als dominant bestanddeel
26. Naar het oordeel van het hof stemmen dit merk en voormelde tekens overeen; het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het teken/woordmerk SWISS SENSE. Ook in de in rechtsoverweging 25 genoemde tekens is SWISS het onderscheidende en dominante bestanddeel. Daarbij geldt evenwel het volgende. In visueel opzicht is sprake van minder overeenstemming dan ten aanzien van het teken/woordmerk SWISS SENSE, maar dat neemt niet weg dat er wel enige overeenstemming is. De totaalindruk in aanmerking nemend, is het woordcombinatie SWISS SENSE in de desbetreffende tekens naar het oordeel van het hof visueel dominant, terwijl de toevoegingen LIFE of SAFE respectievelijk de (zeer) klein afgebeelde onderschriften en het beeldelement naast die dominante woordcombinatie weinig zeggingskracht hebben gelet op hun algemene beschrijvende karakter, terwijl de onderschriften bovendien zo klein zijn afgebeeld dat zij nauwelijks opvallen. In auditief opzicht geldt ook dat de toevoegingen (onderschriften, LIFE of SAFE) niet afdoen aan de omstandigheid dat het element SWISS SENSE in de desbetreffende tekens auditief dominant is. In begripsmatig opzicht doen genoemde toevoegingen niet af aan de overeenstemming die hiervoor is aangenomen ten aanzien van het teken/woordmerk SWISS SENSE. Het gaat immers om beschrijvende onderschriften (‘boxsprings en matrassen’, ‘slapen met een goed gevoel’) en/of om elementen met weinig zeggingskracht (LIFE of SAFE).

Woord/beeldmerk SWISSFLEX versus handelsnaam Swiss Sense en domeinnaam swisssense
31. (…) Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 19 e.v., kan Recticel c.s. zich op grond van art. 9 lid 1 sub b GMV verzetten tegen dergelijk gebruik door Swiss Sense van de aanduiding ‘Swiss Sense’. Dat geldt naar het oordeel van het hof ook voor de aanduiding ‘Swiss Sense’ in het onderschrift ‘by Swiss Sense’ in de tekens genoemd in overweging 2.4 onder f, h, m, n, p, s, t, u, v, w, x, en y van het bestreden vonnis, waarin naast een dominant woordelement (bijvoorbeeld DESIGN, COLOR, POCKET of SAFE) in het onderschrift in kleine letters Swiss Sense als handelsnaam wordt gebruikt, althans door het publiek als zodanig zal worden opgevat (‘by Swiss Sense’).

Woordmerk SENSUS versus SENSE
40. Op grond van het voorgaande, alsmede in aanmerking nemende dat het merk SENSUS een redelijk onderscheidend vermogen heeft en de verregaande mate van soortgelijkheid van de betrokken waren en diensten, komt het hof tot de conclusie dat het merk SENSUS en het teken SENSE in visueel, begripsmatig en auditief opzicht zodanig overeenstemmen dat daardoor verwarring kan ontstaan bij het relevante publiek (als eerder omschreven) als bedoeld in art. 9 lid 1 sub b GMV. Grief 12 slaagt dus. In zoverre is vordering (2) dus toewijsbaar.

Lees de uitspraak:
IEFbe 935 (link/ pdf)

 

IEFBE 872

Slotenmaker keyword advertising maakt geen inbreuk op marktpraktijkenrecht

Hof van Beroep te Gent 19 mei 2014, IEFbe 872 (CYP de Slotenmaker tegen Sleutels Decabooter)
Met samenvatting van Sarah Van Nevel, ALTIUS. AdWords - Handelsnaam – Vennootschapsnaam – Marktpraktijken – geen inbreuk. Zowel appellante als geïntimeerde zijn slotenmakers actief in dezelfde regio. Geïntimeerde is eigenaar van de vennootschaps- en handelsnaam Sleutels Decabooter en titularis van de domeinnaam slotenmaker.com. Appellante is naast slotenmaker, ook actief in beveiligingssystemen. Appellante maakt gebruik van de handelsnaam “Cyp de slotenmaker” voor haar activiteiten als slotenmaker. Zij is titularis van zowel cypdeslotenmaker.be als cypsecurity.com.

Appellante voert een Google AdWords campagne waarbij er onder meer gebruik wordt gemaakt van de trefwoorden “decabooter kortrijk”, “decabooter” en “sleutels decabooter”. Bij vonnis van 18 februari 2014 legt de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk een stakingsbevel op voor het verdere gebruik van de term “decabooter” als trefwoord voor publiciteit van de handelsactiviteiten van appellante op het internet.

In hoger beroep wordt dit vonnis door het Hof van Beroep te Gent echter teniet gedaan, vermits het Hof oordeelt dat er noch een inbreuk is op de handelsnaamrechten van geïntimeerde, noch op haar vennootschapsnaam. Verder oordeelt het Hof dat er evenmin sprake is van enige inbreuk op de artikelen 95 en/of 96, 1°, c WMPC, aangezien geïntimeerde niet zou aantonen dat het gebruik van de betrokken adwords verwarring schept of parasitair is dan wel dat er sprake is van onrechtmatige afwerving van het cliënteel van geïntimeerde of aantasting van haar goede naam.

Handelsnaam
10. De bvba Sleutels Decabooter toont niet aan dat haar handelsnaam geschonden is, in die zin dat er verwarring zou ontstaan tussen haar onderneming en die van de heer [P.].

Door de gebruikte adwords wordt geen afbreuk gedaan aan het onderscheidend karakter van de handelsbenaming van de bvba Sleutels Decabooter. Het publiek kan haar nog steeds identificeren. De adwords zelf zijn niet zichtbaar voor het publiek. Eens de zoekende potentiële klant na het intikken van de zoektermen “Decabooter Kortrijk”, “Decabooter” en/of “sleutels Decabooter” op de site van Google komt, ziet hij of zij advertenties bovenaan een lijst van sites. In de advertentie van “cyp de slotenmaker” is geen enkele referentie naar de bvba Sleutels Decabooter of haar diensten. Op het blad met referenties kan zonder meer het onderscheid gemaakt worden tussen de beide partijen en hun ondernemingen.

Ook de reclamefunctie van de handelsbenaming Sleutels Decabooter is niet aangetast.

Vennootschapsnaam
11. (…) Ook een inbreuk op artikel 65 W. Venn. wordt niet aanvaard omdat het niet van toepassing is. (…)
De heer [P.], noch zijn vennootschap, hebben een naam die gelijk is aan of gelijkt op die van de bvba Sleutels Decabooter.

Oneerlijke marktpraktijken
Aangaande artikel 95 WMPC
12. (…) Sinds het decreet d’Allarde van 1791 geldt het principe van vrijheid van handel en concurrentie. (…)

Het enkele gebruik maken van de benaming van een concurrent, in dit geval Decabooter en Sleutels Decabooter, en dus het mee gebruik maken van de reputatie van een concurrent volstaat op zichzelf niet om van oneerlijke marktpraktijken te gewagen en de schending van artikel 95 WMPC vast te stellen.

Reclame op internet op basis van trefwoorden die overeenkomen met de benaming van een concurrent, vormt een praktijk die inherent is aan de vrije mededinging, aangezien deze reclame er in de regel louter toe strekt, internetgebruikers een alternatief voor de waren of diensten van de concurrent te bieden.

Geïntimeerde brengt geen enkele bijkomende omstandigheid bij, die het onrechtmatig karakter van de handelswijze zou kunnen aantonen.

Sleutels Decabooter kan niet verbieden dat concurrenten op basis van trefwoorden, die overeenkomen met haar naam, reclame laten verschijnen waarin een alternatief voor haar diensten en waren wordt voorgesteld, zonder dat deze reclame tot verwarring leidt of de reputatie aantast (vgl. in het merkenrecht: HvJ (1e k.) nr. C-323/09, 22 september 2011, Interflora Inc. En Interflora British Unit / Marks & Spencer plc en Flowers Direct Online Ltd., nr. 91 (….)).

De heer [P.] werpt op dat de advertentie van zijn bedrijf, die verschijnt na het intikken van de term “Decabooter” of “sleutels Decabooter” of “Decabooter Kortrijk”, enkel “cyp de slotenmaker” en informatie daarover bevat. Er is geen enkele verwijzing naar geïntimeerde of haar diensten. (…)

Concreet is niet aangetoond dat er gevaar voor verwarring of verwarring of dat er misleiding is. Eens de zoekterm met de benaming van geïntimeerde de potentiële klant naar onder meer de site van appellant gebracht heeft, valt niet in te zien hoe een gemiddeld geïnformeerde en gemiddeld aandachtige consument in verwarring gebracht of misleid zou kunnen worden bij de keuze van een slotenmaker. De advertentie gaat enkel over de diensten van de heer [P.].

Ook onrechtmatige afwerving van cliënteel is niet aangetoond.

Er kan aangenomen worden dat de heer [P.]in een enige, niet nader bepaalde mate, meegeniet van de bekendheid van de Sleutels Decabooter. Op zichzelf is dit niet ongeoorloofd. Een ongerechtvaardigd en/of een onevenredig groot voordeel in hoofde van de heer [P.]wordt niet aangetoond. Het gebruik van de trefwoorden “Decabooter Kortrijk”, “Decabooter”, “Sleutels Decabooter” om in een zoekmachine reclame te maken is niet zonder meer parasitair.

Geïntimeerde toont tenslotte evenmin aan dat de gevolgde werkwijze haar goede naam zou aantasten. Het is niet bewezen dat de aantrekkingskracht van “Sleutels Decabooter” vermindert door de “Adwords”.

Aangaande artikel 96, 1°, c WMPC
13. (…) Om dezelfde redenen als onder randnummer 12 in aanmerking genomen, oordeelt het Hof dat er geen inbreuk is op dit artikel.

Hieraan kan nog toegevoegd worden dat het gebruik van de drie woordengroepen in de advertentie-verwijzingsdienst van “Adwords” er niet toe leidt dat geïntimeerde “Sleutels Decabooter” niet meer doeltreffend kan gebruiken om de consumenten te informeren en te overtuigen.

IEFBE 870

Verkochte fietsen impliceren geen bekendheid fietsenmerk

Rechtbank van Koophandel Brussel 25 juni 2013, IEFbe 870 (Seven Cycles tegen no 7evenbikes)
Uitspraak ingezonden door Pieter Callens, Eubelius. Hoger beroep is aangetekend. Merkenrecht. Buitenlandse handelsnaam. Eiser verzoekt om een verklaring van merkenrechtinbreuk op haar Gemeenschapswoordmerk SEVEN CYCLES door het teken en logo "N°7EVENBikes" en tevens handelsnaamrechtinbreuk in de zin van 95 en 96 WMPC. Verweerster verzoekt om nietigverklaring van het merk. Alle vorderingen worden afgewezen. Gelet op het andere doelpubliek (op maat gemaakte fietsen), hoge aandachtsniveau, belang van visuele inspectie bij fietsaankoop en hoofdzakelijk visuele verschillen, is het verwarringsgevaar niet aangetoond.

Enkele facturen van verkochte fietsen in de Benelux impliceert geenszins dat het merk bekendheid geniet bij een aanmerkelijk deel van het relevante publiek ex 9 lid 1 sub c Merkenverordening. Een buitenlandse handelsnaam, zoals het Amerikaanse "Seven Cycles", geniet niet automatisch bescherming in België. Bij gebrek aan verwarringsrisico is er ook geen misleiding van de consument of een andere inbreuk op de eerlijke marktpraktijken. 

Leestips: p. 14, 17 en volgende.

IEFBE 799

La cessation de la dénomination H2O Service

Tribunal de Commerce Nivelles 20 mars 2013, IEFbe 799 (H2O Plomberie Chauffage tegen Miguel Inox Design)
Dénomination. H2O Plomberie Chauffage a constaté l'utilisation de la dénomination "H2O Service" par Miguel Inos Design. Il suffit pour le demandeur en cessation d'établir le risque de confusion sans qu'il faille prouve la réalisation effective de ce risque. Rien ne semble s'opposer à la demande de cessation, il convient d'y faire droit par application des articles 84, 85 et 88 de la loi aux pratiques du marché. Le tribunal ordonne la cessation de l'utilisation par Miguel Inox Design de la dénomination H2O Service sous peine d'une astreinte de 500 euros.

IEFBE 798

La Cour d'Appel de Liège fait appel à l'OPRI

Cour d'appel de Liège 14 mars 2013, IEFbe 798 (AGMD-FTW contre Ville de Liège)
Resumé par Thibaut D’hulst, Van Bael & Bellis. Décision envoyée par Jean-François Henrotte et Alexandre Cruquenaire, Philippe & Partners et Philippe Mottard, Mottard & Jeanray. Update 12 mei: Recours en cassation a été interjeté contre cette décision. Brevet. Marques. Les parties appelantes prétendent être titulaires des marques « Télé-police » et « Télépolice Vision », ainsi que du brevet d’invention BE1018126A5 portant sur un système d’alarme. Elles allèguent à ce titre que la police de Liège aurait porté atteinte à leurs droits. Le premier juge a estimé que le brevet d’invention était nul, que la marque figurative s’était éteinte par défaut d'usage et que les parties appelantes s'étaient rendues coupables de publicité trompeuse et d’agissements contraires aux usages honnêtes du marché.

La Cour d’Appel s’interrogeant sur l’identité des appelants, avec la décision du 14 mars 2013 elle a rouvert les débats afin d’établir si l’appelante FTW bénéficiait de la personnalité juridique et avait un intérêt personnel et légitime à agir en justice. Elle s'est ainsi demandé si l'appelante FTW a valablement pu déposer la marque figurative « Télé-police » et la marque verbale « Télépolice Vision ». En outre, la Cour a invité l’Office de la Propriété intellectuelle à déposer le formulaire de demande ainsi que d’autres documents concernant l’enregistrement du brevet litigieux.

IEFBE 754

Verbod Hoydonckx elk gebruik merken BRILCENTER

Voorz. Rechtbank van Koophandel Gent 19 september 2013, IEFbe 754 (Hoydonckx tegen Webnet4U c.s.)

Uitspraak mede ingezonden door Trees Vuylsteke en Emily Van Damme, DLPA. Merkenrecht. Domeinnamen. Handelsnaamrecht. Eiseres vordert de nietigheid of de gedwongen overdracht van de Benelux-beeldmerken B BRILCENTER, BRILCENTER en B BRILCENTRUM. Vorderingen eiseres zijn gedeeltelijk onontvankelijk in de mate dat zij ertoe strekt de gedwongen overdracht van deze Benelux-merken aan andere "Brilcenter"-leden dan eiseres te horen uitspreken, omdat zij in gebreke blijft haar hoedanigheid en belang van de vordering aan te tonen. Tevens ongegrond: niet blijkt dat verweerders de Beneluxmerken te kwader trouw hebben gedeponeerd en zij faalt in de op haar rustende bewijslast. De tegenvordering is gegrond. De rechtbank verbiedt Hoydonckx elk gebruik van de aan verweerders behorende Beneluxmerken, de handelsnaam "Brilcenter" en de domeinnaam brilcenterbocholt.be.
4.1. De term "Brilcenter" is een handelsnaam die toebehoort aan verweerders. De heer [..] is titularis van de Beneluxmerken met inschrijvingsnummers 0413798 en 0801159. De term "Brilcenter" heeft als dominant onderdeel van deze gemengde Benelux beeld- en woordmerken, duidelijk een onderscheidend vermogen.
[..]
Eiseres, die identieke tekens gebruikt voor identieke waren en diensten als verweerders, begaat in deze omstandigheden duidelijk een inbreuk op artikel 2.20.1.a BVIE. Daarenboven begaat eiseres, door gebruik te maken van het dominant woordelement Brilcenter voor identieke diensten als verweerders, een inbreuk op artikel 2.20.1.b BVIE, waardoor ze bij het publiek verwarring sticht over de afkomst van de diensten en dit, terwijl eiseres zelf bij aangetekend schrijven van 7 oktober 2009 iedere samenwerking heeft beëindigd.
Eiseres mist overtuigingskracht waar zij besluit tot de ongegrondheid van de tegenvordering en ter staving hiervan stelt dat zij "haar logo en uithangbord reeds geruime tijd gewijzigd heeft" [..]. In deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat eiseres een inbreuk pleegt op de rechten van verweerders voortvloeiend uit de Beneluxmerken 0413798 en 0801159.

IEFBE 734

Geen verwarring handelsnamen LILA GRACE en LITTLE GRACE

Hof van Beroep Antwerpen 24 juni 2013, IEFbe 734 (Olina c.s. tegen Blue Turtle Business Partners)
Uitspraak mede ingezonden door Steven Boeynaems en Nathalie Taeymans, DilawHens advocaten.
Merkenrecht. Handelsnamen. Domeinnamen. Geen verwarring. De eerste en tweede appellanten zijn houdster van het Benelux-beeldmerk en woordmerk LILA GRACE. Olina is houdster van domeinnaam lilagrace.be en de Facebookpagina LILA GRACE. Geïntimeerde heeft een winkel onder de naam LITTLE GRACE, die is gedeponeerd als Benelux-woordmerk. De overeenstemming van de activiteiten en geografische reikwijdte van de handelsnamen leveren gelijkenis op. Wat de mate van overeenstemming tussen de handelsnamen en als dusdanig het verwarringsgevaar betreft, geldt ook hier zoals bij de beoordeling van de inbreuken op het BVIE dat er geen overeenstemming is tussen LILA GRACE en LITTLE GRACE.

Terecht oordeelde de eerste rechter dat LILA GRACE  bescherming verkreeg van haar handelsnaam door de inbezitneming ervan, inhoudende het publieke gebruik dat ervan gemaakt werd/wordt. LILA GRACE wordt publiek, zichtbaar en voortdurend gebruikt wat niet voor ernstige betwisting vatbaar is.

Of er gevaar voor verwarring bestaat moet beoordeeld worden aan de hand van de volgende elementen: (1) de mate van overeenstemming tussen de handelsnamen en als dusdanig het verwarringsgevaar; (2) de mate van overeenstemming tussen de activiteiten alsook (3) de geografiche reikwijdte van de handelsnamen.

Voor de laatste twee elementen is er gelijkenis maar wat het eerste element betreft: de mate van overeenstemming tussen de handelsnamen en als dusdanig het verwarringsgevaar, geldt ook hier zoals bij de beoordeling van de inbreuken op het BVIE dat er geen overeenstemming is tussen LILA GRACE en LITTLE GRACE. [..]
IEFBE 674

Geen normaal gebruik VERSO, vervallenverklaring volgt

Voorzitter Rechtbank van Koophandel Antwerpen 19 november 2010, A/09/10984 (vervallenverklaring VERSO)
Merkenrecht. Handelsnamen. Vervallenverklaring. Eiser is houder van het Benelux woordmerk VERSO in de klassen 18 en 25 en stelt dat hij het teken tevens als handelsnaam gebruikt. Eiser vordert een verbod van elk gebruik van zijn merk en domeinnaam www.verso.be. Het woordmerk wordt volgens eiser ter beschikking gesteld aan "zijn" vennootschap TOTEX BVBA. De rechtbank oordeelt dat het TOTEX is die de handelsnaam Verso voert en niet eiser. De bescherming komt dan ook toe aan TOTEX. Eiser kan niet worden beschouwd als handelaar, ondanks de licentieverlening van het merk aan TOTEX. Verder is niet bewezen dat NV VERSO het teken "VERSO" anders dan als handelsnaam zou gebruiken, van merkenrechtelijke inbreuk is dan ook geen sprake. NV VERSO stelt succesvol de tegeneis het merk VERSO vervallen te verklaren. De rechtbank oordeelt dat geen normaal gebruik van het merk is gemaakt en verklaart het merk vervallen.

De heer [..] als vermeende houder van een handelsnaam en onderneming in de zin van de WMPC
[..]
De bescherming komt toe aan de entiteit die de handelszaak uitbaat. Zowel in conclusies ("zijn onderneming onderscheidt zich dankzij de naam "VERSO") als uit de stukken [..] blijkt dat het TOTEX is de handelsnaam "VERSO" voert en niet de heer [..]. De mogelijke bescherming [..] komen toe aan TOTEX.

De vordering op grond van een vermeende handelsnaambescherming alsmede in de mate dat de vordering eveneens betrekking heeft op het gebruik dan wel aanvraag van de domeinnaam www.verso.be worden ongegrond beschouwd.

In het verlengde hiervan wordt geoordeeld dat de heer [..] niet als handelaar kan beschouwd worden conform artikel 2.1 WMPC. De heer [..] bewijst onvoldoende naar recht dat hij "een natuurlijk persoon... (is) die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft". De heer [..] mag dan al zaakvoerder zijn van TOTEX, doch dit geeft hemzelf niet de hoedanigheid van handelaar. De voorgehouden (doch niet-geregistreerde) licentieverlening van het woordmerk VERSO aan TOTEX houdt evenmin in dat de heer [..] als handelaar dient beschouwd te worden. Enige vordering op grond van artikel 95 WMPC [..] door de heer [..] wordt ongegrond beschouwd.

Merkenrechtelijke inbreuk
[..]
De rechtbank stelt vast dat de heer [..] nalaat voldoende naar recht te bewijzen dat de NV VERSO op een andere wijze dan als zuivere handelsnaam (alsmede vennootschapsnaam) het teken "verso" zou gebruiken. Hieromtrent past het om naar de conclusies van de heer [..] te verwijzen waar gesteld wordt dat het wederrechtelijk gebruik van het merk een gebruik betreft "ter aanduiding van (zijn) onderneming namelijk als uithangbord maar tevens op het internet". VERSO NV toont anderzijds voldoende naar recht aan dat zij het begrip "verso" niet gebruikt voor waren maar wel ter aanduiding van haar handelszaak (en dit zowel in haar handelsnaam als geïntegreerd in de domeinnaam).

Verder wordt vastgesteld dat de heer [..] nalaat de middelen in rechte en in feite voldoende te ontwikkelen m.b.t. de toepassing van artikel 2.20.1.d. BVIE [..]. Bij gebreke aan enige feitelijke elementen omtrent de toepassing van deze voorwaarden, wordt de rechtbank in de onmogelijkheid gesteld hieromtrent te oordelen. De toepassing van artikel 2.20.1.d. BVIE zijn van een andere aard dan de toepassing van artikel 2.20.1.a. en 2.20.1.b. BVIE waaromtrent de heer [..] wel enigszins haar middelen aandraagt.

De vermeende merkenrechtelijke inbreukvorderingen op grond van artikel 2.20.1.a. BVIE alsmede artikel 2.20.1.b. BVIE worden afgewezen als ongegrond.

Verval van het merk "VERSO"
[..] gezien het gedurende een ononderbroken termijn van vijf jaar. Specifiek tussen de datum van aanvraag (1994) tot de dreiging tot het instellen van een vordering tot vervalverklaring (22 september 2009) zonder geldige reden geen normaal gebruik van het merk is gemaakt binnen het Benelux-gebied voor de waren waarvoor het merk is ingeschreven.
IEFBE 646

Logo is te beschouwen als een onvolledige kopie EF Technics

Voorzitter Rechtbank van Koophandel Gent 29 januari 2014, WK A/13/00171 (BVBA EF Technics tegen BVBA Engels Filip)
Handelsnaamrecht. Merkenrecht. Auteursrechtinbreuk op logo, niet op volledige website. Domeinnamen. Misleidende reclame. BVBA Filip Engels was zaakvoerder van EF Technics. Voordat hij ontslag nam als zaakvoerder, heeft hij de verweerster opgericht. Partijen zijn actief in dezelfde sector en regio. EF Technics vordert succesvol een verbod tot inbreuk van de benamingen "EF Technics", "EF Technix" of "EF Techni" ter aanduiding van handelsactiviteiten, inclusief gebruik als merk, in sociale media, als metatag, als e-mailadres, en als domeinnaam. Tevens vordert EF Technics succesvol elke inbreuk op haar auteursrechten op haar logo en website te verbieden.

De rechtbank oordeelt dat de handelsnamen en logo verwarring zaaien bij het publiek, hetzelfde geldt voor de domeinnaam, waarvoor geen rechtmatig belang geldt. Daarmee maakt verweerster zich ook schuldig aan verwarringstichtende en misleidende reclame. Wat betreft inbreuk op de auteursrechten, oordeelt de rechtbank dat het logo is te beschouwen als een onvolledige kopie van het werk zonder dat een eigen originele prestatie kan worden aangetoond. Het gaat te ver die bescherming uit te breiden naar de volledige website van eiseres, die niet voldoende origineel is. Op dat punt is de vordering ongegrond. Alle overige vorderingen worden toegewezen.

[..] De gestileerde letters in rood en zwart "EF" [..] zijn het meest kenmerkende element van het logo en werden overanderd overgenomen. Dat het hierbij om de initialen van de zaakvoerder van de verweerster gaat is geen punt. Uiteraard mag deze zijn naam verder gebruiken in het handelsverkeer, alleen niet op een manier die verwarring zaait bij het publiek in het nadeel van de eiseres.

Wat de handelsnaam betreft kan de verweerster bezwaarlijk volhouden dat de naam "EF-Technix" niet verwarrend zou zijn met de naam "EF-Technics" binnen dezelfde producten - en geografische markt.

De verweerster dient het gebruik hiervan te stoppen.

Hetzelfde geldt dan uiteraard voor de domeinnaam www.EF-Technix.be en het gebruik van deze handelsnaam als metatag. De verweerster kan hiervoor geen rechtmatig laten gelden en beoogt integendeel cliënteel van de eiseres af te werven door verwarring te zaaien.

Door de hierboven geschetste handelingen maakt de verweerster zich bovendien schuldig aan verwarringstichtende en misleidende reclame [..].

[..]

Wat de beweerde inbreuk op de auteursrechten van de eiseres betreft stellen Wij vooreerst vast dat het logo van de eiseres de vrucht is van een afdoende intellectuele en creatieve prestatie en voldoende origineel is om van besherming te kunnen genieten. Het gaat niet om loutere initialen in een bepaalde kleur maar om een gestileerd geheel waarbij kleuren en vormen (letters, helm) op een creatieve manier worden verweven.

De volgende vraag is of het nieuwe logo van de verweerster te aanzien is als een inbreuk op de auteursrechten van de eiseres. Dit is inderdaad het geval. [..] Het geheel is te beschouwen als een onvolledige kopie van het werk van de eiseres zonder dat een eigen originele prestatie kan worden aangetoond.

[..] Behalve het logo [..] bevat de website geen originele elementen die de bescherming ervan rechtvaardigen. [..]

Lees hier de uitspraak:
WK A/13/00171
(pdf)

 

IEFBE 381

Geen beperking van het ingeroepen merkrecht ex 2.23 BVIE

Rechtbank van Koophandel Antwerpen 19 februari 2013, Rolnr. A/12/10673 (BVBA IMMO C&S tegen BVBA C.S. Vastgoed)

Uitspraak ingezonden door Geert Philipsen, GSJ advocaten en Ria Hens, DILAWHENS Advocaten.

Beide partijen zijn vastgoedmakelaar in de regio "groot Antwerpen". Immo C&S heeft haar handelsnaam IMMO C&S sinds 2009 gevoerd en in februari 2012 gedeponeerd als Benelux woordmerk. C.S. Vastgoed maakt gebruik van het merk/de handelsnaam in brieven, in Google ingegeven zoektermen [red. AdWords] en in mond-op-mond reclame. Er wordt een inbreuk ex artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE en artikel 95 WMPC vastgesteld.

De beperking op het ingeroepen merkenrecht (conform artikel 2.23 lid 2 BVIE) wordt niet aanvaard. Het logo wordt niet als "nagebootst' beschouwd en al evenmin wordt aangenomen dat door het gebruik van het logo wordt aangehaakt op het "succes" van IMMO C&S. Anderzijds houdt de handelsnaamrechtelijke inbreuk alsmede de aanvaarde merkenrechtelijke inbreuk, een inbreuk op artikel 95 WMPC in, zodat de vordering op grond van deze bepaling gegrond wordt verklaard.

Verder dient in dit licht reeds worden aangegeven te worden dat op grond van de WMPC het gebruik van die naam niet de indruk mag wekken dat er een commerciële band bestaat tussen de gebruiker van die naam en de merkhouder, en dat er ook geen ongerechtvaardigd voordeel mag worden getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.

Onder 2.b.
De rangorde die tussen merken moet worden aangehouden, wordt in beginsel bepaald door de datum van depot of aanvrage, dan wel door de voorrang (ook wel prioriteit genoemd) die kan worden ingeroepen. Die voorrangs-of prioriteitsregeling houdt in dat het merk beschouwd wordt, voor wat betreft de rangorde alsof het op de voorrangs- of prioriteitsdatum gedeponeerd is zodat die (eerdere) datum doorslaggevend is bij de bepaling wie de oudste rechten. Er wordt geen reden aangebracht waarom hiervan zou afgeweken dienen te worden bij het invullen van het begrip "ouder recht van plaatselijke betekenis".

Tenslotte beroept C.S. VASTGOED zich op haar vennootschapsnaam C.S. VASTGOED . BVBA als "ouder recht van plaatselijke betekenis". De vennootschapsnaam wordt beschermd door artikel 65 W. Venn. Het recht op bescherming komt, evenals de handelsnaam, toe aan de eerste gebruiker. Het ouder recht van plaatselijke betekenis komt enkel toe aan C.S. VASTGOED voor haar vennootschapsnaam in de functie die artikel 65 W. Venn. eraan toemeet. Het rechtmatig gebruik als vennootschapsnaam t.o.v. het ingeroepen merkenrecht) wordt door !MMO C&S niet als inbreukmakend beschouwd. Hieromtrent wordt geen vordering ingesteld. Het gebruik als handelsnaam van het C.S. VASTGOED wordt als inbreukmakend beschouwd en dit gebruik kan niet gelijkgeschakeld worden met het gebruik als vennootschapsnaam. Anders gezegd, het is niet omdat de vennootschapsnaam een "ouder recht van plaatselijke betekenis" is dat deze vennootschapsnaam rechtmatig kan gebruikt worden als handelsnaam indien dit gebruik zich situeert na het aanvragen van het merkdepot.