DOSSIERS
Alle dossiers

Mediarecht - Droit des médias  

IEFBE 1406

Medejournalist een Kontlikjournalist noemen is laster en eerroof

RvdJ 9 april 2015, IEFbe 1406; 2015/09 (Chris De B. t/ Morsum-Magnificat.be en Erik V.)
Mediarecht. Collega's onderling. Geen wederhoor. Klacht gegrond. Journalist Chris De B. dient een klacht is tegen Erik V. omdat hij eerstgenoemde een kontlikjournalist noemt. Hij schrijft ook dat Chris De B. zich schuldig maakte aan laster en eerroof omdat die gezegd zou hebben dat Erik V. van het OCMW leeft. Er wordt niet rechtstreeks aan de RvdJ geantwoord, maar een openbare reactie op zijn website Morsum-Magnificat.be. Het artikel trekt de onafhankelijkheid en integriteit van klager als journalist zonder gegronde redenen ernstig in twijfel, en uit ernstige beschuldigingen zonder een kans op wederhoor te geven. De aanpak strookt ook niet met het principe dat een journalist belangenvermenging vermijdt.

Het artikel gaat over een brand bij een bedrijf in Tremelo en over journalist Erik Verbeeck, zelf auteur van het artikel, die van de politie geen toestemming kreeg om de afgezette zone rond de brand te betreden. Verbeeck spreekt in het artikel van pesterij en discriminatie door de politie omdat die hem wegstuurde uit de afgezette zone, terwijl journalist Chris De Bruyn eerder wel binnen de afgezette zone mocht komen. Verbeeck noemt De Bruyn een ‘kontlikjournalist’. Hij schrijft ook dat De Bruyn zich schuldig maakte aan laster en eerroof omdat die gezegd zou hebben dat Verbeeck van het OCMW leeft.

(...)

De raad kan wel oordelen over de journalistieke handelwijze van de journalist zoals bepaald in hoofdstuk II van de code over onafhankelijkheid, III over fair play en IV over respect voor de menselijke waardigheid.

De raad kan wel oordelen over de journalistieke handelwijze van de journalist zoals bepaald in hoofdstuk II van de code over onafhankelijkheid, III over fair play en IV over respect voor de menselijke waardigheid.

Naast de aantijging dat hij niet onafhankelijk zou handelen, beschuldigt het artikel De Bruyn ook van ‘laster en eerroof’. Journalist Erik Verbeeck, die zelf betrokken en belanghebbende partij was in het dispuut en mee het voorwerp uitmaakt van zijn eigen berichtgeving, brengt daarvoor geen andere getuigenissen of bronnen aan dan zichzelf. Die aanpak strookt niet met het principe van journalistieke onafhankelijkheid en is in strijd met artikel 10 van de code: ‘De journalist vermijdt belangenvermenging’.

Ondanks de ernstige beschuldigingen heeft journalist Verbeeck geen wederhoor gevraagd aan klager, wat gezien de ernst van de beschuldigingen in het artikel aangewezen was. Artikel 20 van de code bepaalt: ‘Wanneer een journalist in zijn berichtgeving zelf ernstige beschuldigingen uit, met name wanneer die de eer en de goede naam betreffen, is het aangewezen dat hij de betrokkene voor de publicatie of de uitzending contacteert en hem loyaal de kans biedt hierop te reageren.’

IEFBE 1408

Kwetsbare positie van psychiatrisch geïnterviewde

RvdJ 18 juni 2015, IEFbe 1408; 2015/13 (Ouders psychiatrische X t/ Dag Allemaal)
Interview. Vermelding persoonsgegevens. Ouders hebben een voldoende persoonlijk belang om klacht in te dienen. Het magazine houdt onvoldoende rekening met de zeer kwetsbare positie van de persoon met psychische problemen die het interviewt en over wie het schrijft, waardoor het de betrokkene zichzelf te kijk laat zetten. Dat effect wordt nog versterkt door de herhaling in de elkaar opvolgende artikels (over zwangerschap en psychiatrische begeleiding van de familie.

Klaagster is de moeder van X. Ze dient een klacht in uit zorg voor haar zonen en haar kleindochter, de vierjarige dochter van X, uit een vorige relatie, en omdat de artikels volgens haar geen respect tonen en stigmatiserend zijn voor mensen met psychische problemen. Klaagster zegt dat X nooit zwanger is geweest van Van Temsche, en dat ze een persoonlijkheidsstoornis heeft, waardoor ze in verschillende realiteiten leeft. De stoornis leidt er ook toe dat X steeds aandacht zoekt, indien mogelijk ook van de media.

Beslissing:
De Raad oordeelt dat, in het voorliggende geval, de ouders van iemand met ernstige psychische problemen voldoende persoonlijk belang hebben om een klacht in te dienen, wanneer de betrokkene met naam en toenaam optreedt of ter sprake wordt gebracht in de media.

Dag Allemaal liet X aan het woord over haar zwangerschap, waarrond op het moment van de interviews en de artikels al ernstige twijfels bestonden, terwijl de journalist wist of had kunnen weten dat X ernstige psychische problemen had en kort voordien gedwongen opgenomen was geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. X zat op dat moment in een zeer kwetsbare positie. Dag Allemaal heeft daarmee onvoldoende rekening gehouden, en heeft het effect nog versterkt door in verschillende nummers herhaaldelijk op de situatie terug te komen en X herhaaldelijk aan het woord te laten. Een journalist kan mensen met psychische problemen uiteraard aan het woord laten of in beeld brengen, maar hij hoedt zich ervoor dat betrokkene zichzelf, met of door zijn problematiek, publiek te kijk laat zetten, wat in dit geval herhaaldelijk gebeurd is. Dat X zelf instemde met de interviews, doet niets af aan de plicht van de journalist om, ‘bijzonder omzichtig om te gaan met mensen in een maatschappelijk kwetsbare situatie’, en om zijn berichtgeving af te wegen tegen het maatschappelijk belang, zoals bepaald in artikel 23 en 24 van de code. Het maatschappelijk belang woog in dit geval niet op tegen de berichtgeving over en de interviews met X over de twijfelachtige zwangerschap, te meer omdat Dag Allemaal zelf herhaaldelijk aangaf dat de interviews mogelijk gebaseerd waren op waanideeën, verzinsels of leugens.

 

IEFBE 1405

Trouwfoto illustreert verslaglegging rechtszaak

RvdJ 9 april 2015, IEFbe 1405; 2015/08 (Klager t/ Het Laatste Nieuws en HLN.be)
Mediarecht. Portretrecht. De Raad is van oordeel dat, gezien de ernst van de feiten, beperkte identificatie van klager en publicatie van de trouwfoto op de regionale pagina’s gerechtvaardigd was, en conform de
richtlijn bij art. 23 van de code over identificatie in gerechtelijke context. De foto illustreert de verslaggeving over de rechtszaak.

Aanleiding zijn drie artikels in verschillende regionale versies van Het Laatste Nieuws en HLN.be van 8 augustus 2014 onder de titels: ‘Rekening trouwfeest nooit betaald’, ‘Oplichters slaan slag op eigen trouwfeest’ en ‘Oplichterskoppel riskeert strenge straffen’, en drie artikels, ook in verschillende regionale versies van Het Laatste Nieuws en HLN.be van 11 september 2014, onder de titels ‘Strenge straffen voor oplichterskoppel’, ‘Achttien en zes maanden cel voor oplichterskoppel’ en ‘We wilden die mensen niet oplichten’.

Klager neemt aanstoot aan het feit dat hij herkenbaar in beeld komt in de artikels. Zowel van hemzelf als van zijn echtgenote worden de voornaam en de eerste letter van de familienaam genoemd, en ook de gemeente waar ze wonen. Klager is vooral kwaad over de gepubliceerde trouwfoto. Volgens klager vroeg de uitbaatster van de zaal van het trouwfeest om een foto van hem en zijn echtgenote te maken, maar gaven zij nooit de toestemming om de foto in de krant te publiceren. Hij zegt dat hij en zijn echtgenote door de foto en door de andere gegevens duidelijk identificeerbaar zijn.

IEFBE 1403

CANVAS gewaarschuwd voor geweldsbeelden in documentaire Allah Guerre

VRM 5 mei 2015, IEFbe 1403; 2015/037 (Allah Guerre)
Kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen. Uitzending 16u25. Het betreft een reportage van de nieuwsdienst van de VRT over de beweegredenen van Belgische jongeren die naar Syrië vertrekken om er te strijden en over de invloed van de organisatie ‘Sharia4Belgium’ op deze jongeren. De reportage bestaat o.a. uit een montage van eigen beeldmateriaal van de VRT en beeldmateriaal van het internet (vb. Youtube). Volgens de onderzoekscel van de VRM komen in het programma verschillende beeldfragmenten voor met geweld, of de suggestie ervan, de gevolgen van gepleegd geweld en gruwelbeelden. Het gaat daarbij volgens de onderzoekscel om beelden met een hoog realiteitsgehalte  of van reëel gepleegd geweld, dus niet om fictieve beelden.

Uitzendingen die onder het relatief verbod vallen mogen toch worden getoond indien ofwel door technische maatregelen (codering) ofwel door de keuze van het tijdstip van uitzending wordt gewaarborgd dat minderjarigen de uitzendingen normaliter niet zullen zien of beluisteren. Bij dergelijke ongecodeerde uitzendingen moet bovendien naast de keuze van het tijdstip van uitzending, een akoestische waarschuwing of visueel symbool worden gebruikt.

Hoewel het ombrengen of verwonden van personen niet expliciet wordt getoond, bevat de reportage niettemin veel beelden van personen die worden bedreigd met executie, vernederd of geïntimideerd. Verscheidene keren is te zien hoe mensen van dichtbij onder schot worden gehouden en worden geterroriseerd. Ook wanneer het beeld zwart wordt gemaakt, is toch nog een pistoolschot te horen.

Geweld op televisie kan schadelijke gevolgen hebben voor minderjarigen, zoals leiden tot afstomping voor geweld, angst aanjagen of agressie aanwakkeren. De context waarin geweld wordt getoond speelt daarbij een grote rol.

Eén van de elementen die de kans op schadelijke gevolgen voor minderjarigen aanzienlijk vergroot is het realiteitsgehalte van het geweld dat wordt getoond.

Aangezien het in casu om een non-fictie-uitzending gaat en een reportage met beelden van reëel gepleegd geweld, is het geweld zeer indringend en schrikwekkend voor minderjarigen. Het identificatiepotentieel voor de kijker, met zowel de – vaak zelf minderjarige – daders als de slachtoffers, wordt hierdoor danig verhoogd.

Ook de gevolgen van het geweld worden duidelijk zichtbaar gemaakt. Ofschoon de executies zelf niet in beeld worden gebracht, worden wel de stoffelijke overschotten van omgebrachte personen getoond. Bovendien is te zien hoe deze lijken worden onteerd door ze achter een truck voort te slepen of nogmaals op deze lichamen te schieten. Eveneens de geluiden van de geweerschoten die de beelden vergezellen dragen bij aan het angstaanjagende karakter ervan.

Aangezien de geweldbeelden in de ‘Allah Guerre’-reportage voortkomen uit propagandafilmpjes die van de daders zelf afkomstig zijn, kan het voor minderjarigen overigens lijken alsof het plegen van deze gruwelijke gewelddaden gerechtvaardigd is en de lachende Syriëstrijders er ongestraft mee mogen wegkomen, wat het angstaanjagend karakter kan versterken.

De kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen oordeelt dat de ‘Allah Guerre’-reportage geen programma betreft waarvoor een absoluut verbod geldt. De VRM is wel van oordeel dat de inhoud van deze bewuste ‘Panorama’-uitzending van dien aard is dat deze voor sommige minderjarigen leeftijds- en ontwikkelingsinadequaat is en dat het risico bestaat dat de inhoud schade toebrengt aan de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen overeenkomstig artikel 42, tweede lid, van het Mediadecreet.

De onderzochte uitzending van ‘Panorama’ is op vrijdag 13 februari 2015 omstreeks 16u25 uitgezonden. Dit is een tijdstip waarop een breed publiek kan worden bereikt, inclusief jonge kinderen. Daardoor was niet gewaarborgd dat minderjarigen de ‘Allah Guerre’-reportage niet zouden zien.

De kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen besluit dat de VRT de bepalingen van artikel 42, tweede lid, van het Mediadecreet heeft geschonden door op 13 februari 2015 op Canvas omstreeks 16u25 het programma ‘Panorama’ met de ‘Allah Guerre’-reportage uit te zenden.

Bij het bepalen van de sanctie houdt de kamer er rekening mee dat dergelijke inbreuk voor het eerst wordt vastgesteld bij VRT naar aanleiding van de uitzending van een niet-fictieve productie, meer bepaald een documentaire reportage.

De kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen besluit de VRT te waarschuwen.

IEFBE 1400

Niet-waarschuwen van kijkers voor schadelijke beelden aanslag Charlie Hebdo

VRM 5 mei 2015, IEFbe 1400; 2015/035 (Verslaggeving Charlie Hebdo)
Waarschuwing. Buitengewone omstandigheden. journaal van 17u45. In de onderzochte uitzendingen van 7,8 en 9 januari worden in 'Het Nieuws' diverse fragmenten getoond van amateurbeeldopnamen met mobiele telefoon. Eén specifiek fragment betreft de opname, gefilmd vanop een dak, waarbij een gewonde politieagent van dichtbij wordt neergeschoten door wegvluchtende daders. Na visie, analyse en beraadslaging oordeelde de kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen dat de uitzendingen op 7 januari 2015 van ‘Het Nieuws’ (VTM – 17u45 & 19u) getoetst moeten worden aan artikel 42 van het Mediadecreet.

In de onderzochte uitzendingen worden diverse fragmenten getoond van amateurbeeldopnamen met mobiele telefoon. Eén specifiek fragment betreft de opname, gefilmd vanop een dak, waarbij een gewonde politieagent van dichtbij wordt neergeschoten door wegvluchtende daders.

De onderzoekscel van de VRM beperkt de rapportering m.b.t. de onderzochte uitzendingen tot de opname waarin de gewonde neerliggende agent onder vuur wordt genomen, aangezien enkel hierin sprake is van zichtbaar geweld of van de suggestie van gepleegd geweld.

De onderzoekscel van de VRM beschrijft verschillende fragmenten die worden uitgezonden op tijdstippen waarop minderjarigen normaliter nog voor het scherm (kunnen) zitten.  De onderzoekscel is daarbij van oordeel dat de getoonde fragmenten geweldbeelden bevatten, soms zonder dat aan de fragmenten een akoestische waarschuwing voorafgaat. Het gaat niet om fictieve beelden, maar om een weergave van reëel gepleegd geweld.

Daarbij is er telkens sprake van technische ingrepen (‘blurring’ en zwartbeeld) om het getoonde geweld minder expliciet te maken.

(...) Voorts zijn de beelden getoond in een journaal, dat de actualiteit en het nieuws van de dag behandelt. De gebeurtenissen speelden zich af op de veelbewogen dag van de uitzending zelf en de amateuropname was slechts enkele uren eerder in het bezit van de omroeporganisatie gekomen. De afweging en selectie bij de uitzending van de beelden diende dan ook zeer snel te gebeuren.

(...) Gegeven deze buitengewone omstandigheden en de enge beoordelingsmarge om in voorliggend geval beperkende maatregelen af te dwingen, aanvaardt de kamer uitzonderlijk dat dergelijke beelden, die schade kunnen toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen, op een tijdstip werden uitgezonden waarop jonge kinderen ze nog konden zien. Ofschoon Medialaan er ook had kunnen voor kiezen om de beelden van de executie volledig uit de opname te verwijderen in plaats van met zwartbeelden te werken, zou het verbod om ze reeds om 17u45 in een journaal te tonen (of de verplichting om de uitzending desgevallend uit te stellen tot een tijdstip later op de dag), niet in verhouding staan tot het legitieme doel van de bescherming van minderjarigen.

Dergelijke ongecodeerde uitzendingen, zoals de vier voorliggende fragmenten, dienen in ieder geval steeds voorafgegaan te worden door een akoestische waarschuwing of moeten gedurende de hele uitzending herkenbaar zijn aan een visueel symbool.

Uit het onderzoek en de beelden blijkt dat bij ‘Het Nieuws’ van zowel 17u45 als bij aanvang van de uitzending van 19u dergelijke waarschuwing ontbreekt. De VRM merkt daarbij op dat het louter inhoudelijk beschrijven van gruwelbeelden die zullen volgen geen akoestische waarschuwing is in de zin van artikel 42, derde lid, van het Mediadecreet.

IEFBE 1399

Aftelklok is geen reclamebumper

VRM 11 mei 2015, IEFbe 1399 (Aftelklok reclamebumper Komen Eten)
Mediarecht. Tijdens de onderzochte periode wordt omstreeks 17u40, net het programma ‘Komen Eten’, een eerste keer een beeldvullende reclamebumper getoond die slechts 1,5 seconde duurt. De reclamebumper bevat geen vermelding “Reclame” en is louter visueel (er is geen akoestische afbakening, bijvoorbeeld door een jingle of een stilte). Na deze reclamebumper volgen twee reclamespots die worden omkaderd door een rand waarin een aftelklok  en de programma-aankondiging “zo meteen Smakelijk!” te zien is. Na de laatste reclamespot wordt geen eindbumper getoond: het programa ‘Smakelijk’ begint onmiddellijk na de omkaderde reclamespot.

De VRM meent dat er onvoldoende onderscheid is tussen reclame en de rest van de programmatie doordat de beginbumper telkens 1,5 seconde beeldvullend en zonder de tekst “reclame” in beeld wordt gebracht, er geen akoestische scheiding bestaat tussen de redactionele inhoud en het reclameblok en er daarenboven geen eindbumper te zien is.

Dit is ook het geval voor het gebruik van een aftelklok met programma-aankondiging zonder meer. Deze door VIER gehanteerde aftelklok kan niet worden gelijkgeschakeld met een reclamebumper. Dergelijke aftelklok, met enkel de vermelding van een volgend programma, kan immers evenzeer tussen twee gewone programma’s worden geplaatst en geeft op zich niet aan dat het om reclame gaat die van redactionele inhoud moet worden onderscheiden.

De VRM besluit VIER een administratieve geldboete op te leggen van 2.500 euro voor het hanteren van te korte beginbumpers bij reclameblokken. Bij het bepalen van de sanctie voor het gebruik van de aftelklok, houdt de VRM er rekening mee dat deze werkwijze nog niet eerder is getoetst aan artikel 79, § 1, van het Mediadecreet. Een waarschuwing is in dit geval een gepaste sanctie.
IEFBE 1388

Boete voor VTM voor het reclamebumpers verweven met reclamespot

VRM 11 mei 2015, IEFbe 1388 (Medialaan reclamebumper)
Mediarecht. Tijdens de onderzochte periode worden reclamebumpers uitgezonden die verweven zijn met de eerstvolgende reclamespot. De VRM stelt daarbij vast dat na de audio van de sponsorvermelding onmiddellijk de audio van de reclamespot volgt. De bumper met de tekst “VTM – Reclame” wordt gedurende 1,5 seconde beeldvullend getoond (zonder visuele inmenging van de reclamespot). In een ander geval wordt de reclamebumper gedurende maximaal 1 seconde beeldvullend getoond (zonder visuele inmenging van de reclamespot).  Er wordt geen tekst “Reclame” getoond.

Artikel 79, § 1, van het Mediadecreet bepaalt :
“Televisiereclame, zelfpromotie uitgezonderd, en telewinkelen moeten duidelijk herkenbaar zijn en moeten kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud. Zonder afbreuk te doen aan het gebruik van nieuwe reclametechnieken, moeten reclame en telewinkelen met visuele en/of akoestische en/of ruimtelijke middelen van andere onderdelen van het programma worden gescheiden.”

Deze bepaling heeft tot doel te vermijden dat er bij de kijkers verwarring ontstaat tussen reclame en andere programmaonderdelen.

De VRM meent dat de door VTM gebruikte middelen niet volstaan opdat de reclamespots duidelijk herkenbaar zouden zijn en kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud.

Met name het hanteren van zeer korte beginbumpers – korter dan 2 seconden – kan tot verwarring leiden, te meer wanneer het woord “reclame” niet wordt vermeld. Dit is ook het geval voor het gebruik van reclamebumpers die visueel worden verwerven met de daaropvolgende reclamespot. Dergelijke bumpers zorgen niet voor een duidelijk herkenbare afbakening van reclame en redactionele inhoud.

De VRM besluit VTM een administratieve geldboete op te leggen van enerzijds 2.500 euro voor het hanteren van te korte beginbumpers bij reclameblokken en anderzijds 2.500 euro voor het verweven van reclamebumpers met de eerstvolgende reclamespot.

IEFBE 1387

Waarschuwing Studio100 TV voor onduidelijk herkenbare communicatie gericht op jongeren

VRM 27 april 2015, IEFbe 1386; 2015/030 (VRM tegen NV Studio 100 TV)
Tijdens de door de VRM onderzochte periode wordt het programma ‘Studio 100 HITS’ uitgezonden. Het programma bestaat uit verschillende videoclips van Studio 100-figuren. In het programma wordt twee maal een videoclip getoond van ‘Wanagogo’, het multimediaplatform van Studio 100. Deze videoclip duurt 2 minuten en bevat beelden van Studio 100-figuren en toont enkele mogelijkheden die het multimedia-platform ‘Wanagogo’ te bieden heeft.

De VRM meent dat deze videoclip als commerciële communicatie moet worden beschouwd. De VRM meent dat deze commerciële communicatie niet duidelijk als zodanig herkenbaar is gemaakt, doordat ze wordt getoond in de vorm van een videoclip in een muziekprogramma met allerlei videoclips van Studio 100-figuren. De (minderjarige) kijkers worden op geen enkele manier gewezen op de aanwezigheid van commerciële communicatie. Door de indruk te wekken dat het louter om een videoclip gaat, wordt de commerciële communicatie voor ‘Wanagogo’ niet duidelijk als zodanig herkenbaar gemaakt voor kinderen.

Artikel 71 van het Mediadecreet stelt dat “Commerciële communicatie die gericht is op kinderen en jongeren, moet voor hen duidelijk als zodanig herkenbaar zijn.”

De VRM besluit Studio 100 TV te waarschuwen voor deze inbreuk op het Mediadecreet. Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM rekening met het gegeven dat Studio 100 TV, in afwachting van de beslissing, de uitzending van de bewuste videoclip in de muziekprogramma’s heeft stopgezet. Bovendien wordt de inbreuk voor het eerst vastgesteld bij Studio 100 TV.
IEFBE 1378

EHRM grote kamer: Internetportal verantwoordelijk voor anonieme lasterlijke comments

EHRM 16 juni 2015, IEFbe 1378; Application 64569/09 (Delfi tegen Estonia) - video - persbericht
Nieuwsportaal Delfi werd verantwoordelijk gehouden voor de lasterlijke anonieme commentaren op een artikel over bestuurder bij een ferrymaatschappij. Het EHRM oordeelde eerder [IEFbe 503] dat er geen schending van de vrijheid van meningsuiting plaatsvond (10 EVRM) en het nieuwsportaal verantwoordelijk is voor commentaren op een artikel. De Grote Kamer oordeelt wederom dat er geen schending is van artikel 10 EVRM door het verantwoordelijk houden van een (van de grootste, Estse) internetportals voor de anonieme lasterlijke commentaren.

The Grand Chamber agreed with the Chamber’s assessment of the question which had identified four key aspects: the context of the comments; the liability of the actual authors of the comments as an alternative to Delfi being held liable; the steps taken by Delfi to prevent or remove the defamatory comments; and the consequences of the proceedings before the national courts for Delfi.(...)

Firstly, as regards the context, the Grand Chamber attached particular weight to the extreme nature of the comments and the fact that Delfi was a professionally managed Internet news portal run on a commercial basis which sought to attract a large number of comments on news articles published by it. Moreover, as the Supreme Court had pointed out, Delfi had an economic interest in the posting of the comments. The actual authors of the comments could not modify or delete their comments once they were posted, only Delfi had the technical means to do this. The Grand Chamber therefore agreed with the Chamber and the Supreme Court that, although Delfi had not been the actual writer of the comments, that did not mean that it had no control over the comment environment and its involvement in making the comments on its news article public had gone beyond that of a passive, purely technical service provider.

Secondly, Delfi had not ensured a realistic prospect of the authors of the comments being held liable. The owner of the ferry company could have attempted to sue the specific authors of the offensive comments as well as Delfi itself. However, Delfi allowed readers to make comments without registering their names, and the measures to establish the identity of the authors were uncertain. Nor had Delfi put in place any instruments to identify the authors of the comments making it possible for a victim of hate speech to bring a claim.

Thirdly, the steps taken by Delfi to prevent or remove without delay the defamatory comments once published had been insufficient. Delfi did have certain mechanisms for filtering hate speech or speech inciting violence, namely a disclaimer (stating that authors of comments were liable for their content, and that threatening or insulting comments were not allowed), an automatic system of deletion of comments containing a series of vulgar words and a notice-and-take-down system (whereby users could tell the portal’s administrators about offensive comments by clicking a single button). Nevertheless, both the automatic word-based filter and the notice-and-take-down system had failed to filter out the manifest expressions of hatred and blatant threats to the owner of the ferry company by Delfi’s readers and the portal’s ability to remove offending comments in good time had therefore been limited. As a consequence, the comments had remained online for six weeks. The Grand Chamber considered that it was not disproportionate for Delfi to have been obliged to remove from its website, without delay, clearly unlawful comments, even without notice from the alleged victims or from third parties whose ability to monitor the Internet was obviously more limited than that of a large commercial Internet news portal such as Delfi.

Finally, the Grand Chamber agreed with the Chamber that the consequences of Delfi having been held liable were small. The 320 euro fine was by no means excessive for Delfi, one of the largest Internet portals in Estonia, and the portal’s popularity with those posting comments had not been affected in any way – the number of comments posted had in fact increased. Registered comments are now a possibility but anonymous comments are still predominant, with Delfi even having set up a team of moderators for their follow-up. Furthermore, the tangible result for Internet operators in post-Delfi cases before the national courts has been that they have taken down offending comments but have not been ordered to pay compensation.

Op andere blogs:
Dirkzwager
Media Report

IEFBE 1368

Geen melding productplaatsing levert vtmKzoom boete op

VRM 27 april 2015, IEFbe 1368 (vtmKzoom Verjaardag)
Mediarecht. Productplaatsing. De VRM controleerde de uitzendingen (1 februari 2015, 17u-23u) van diverse televisieomroeporganisaties, waaronder vtmKzoom. De VRM stelt vast dat het programma ‘vtmKzoom Verjaardag’ productplaatsing bevat zonder dat de kijker hierop wordt gewezen. Het PP-logo wordt noch aan het begin, noch aan het einde van het programma getoond. Medialaan erkent dat het PP-logo aan het begin en het einde van het programma moest worden opgenomen. De VRM legt vtmKzoom voor deze inbreuk op het Mediadecreet een administratieve geldboete van 5.000 euro op. Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM er rekening mee dat Medialaan reeds eerder voor dezelfde inbreuk werd gesanctioneerd.