DOSSIERS
Alle dossiers

Mediarecht - Droit des médias  

IEFBE 1538

EHRM: Vrijheid van meningsuiting gaat boven de noodzaak tot staking en bescherming van de universiteit

EHRM 8 oktober 2015, IEFbe 1538; Application no. 27447/07 (Kharlamov tegen Russia) - persbericht.
Recht op vrijheid meningsuiting. Zaak tegen de heer Kharlamov, professor aan de Universiteit Orel State Technical University. Hij stelde zich op het standpunt dat het bestuursorgaan van de universiteit niet legitiem kon worden beschouwd als gevolg van tekortkomingen in de verkiezingsprocedure. Het Hof constateerde dat de nationale rechter geen rekening heeft gehouden met de specifieke kenmerken van academische relaties, zoals in het bijzonder de bescherming van autoriteit van universiteit of de reputatie. Dit kan niet worden gelijk gesteld met die van een individu. De nationale rechter heeft geen billijk evenwicht gevonden tussen de noodzaak tot staking en de bescherming van de universiteit tegenover de vrijheid van meningsuiting over de academische organisatie. Oftewel, schending van art. 10 EVRM: vrijheid van meningsuiting.

29. (...) In the present case there is no evidence that the domestic courts performed a balancing exercise between the need to protect the University’s reputation and the applicant’s right to impart information on issues of general interest concerning the organization of the academic life. They merely confined their analysis to the discussion of the damage to the plaintiff’s reputation (see paragraph 10 above) without giving any due consideration to the Convention standards described above. Neither did the domestic courts consider that the “dignity” of an institution cannot be equated to that of human beings. The Court considers that the protection of the University’s authority is a mere institutional interest of the University, that is, a consideration not necessarily of the same strength as “the protection of the reputation or rights of others” within the meaning of Article 10 § 2 (see Uj v. Hungary, no. 23954/10, § 22, 19 July 2011). The Court therefore finds that the domestic courts did not take into account specific features of academic relations and failed to recognise that the present case involved a conflict between the right to freedom of expression and the protection of reputation (see Dyundin v. Russia, no. 37406/03, § 33, 14 October 2008).
33. In conclusion, the Court finds that the domestic courts failed to strike a fair balance between the relevant interests and to establish a “pressing social need” for putting the protection of the plaintiff’s reputation above the applicant’s right to freedom of expression. Therefore, the Court considers that the domestic courts overstepped the narrow margin of appreciation afforded to them in the matters of debate of public interest and that the interference was not “necessary in a democratic society”.
34. There has therefore been a violation of Article 10 of the Convention.

IEFBE 1473

Artikel was al gesplitst en aangepast, maar zet niet aan tot racisme en xenofobie

Hof van Beroep Gent 5 maart 2013, IEFbe 1473 (Vlaams Belang Krant)
Correctioneel. Mediarecht. Verdacht van discriminatie, door racisme en xenofobie ingegeven daden door in de Vlaams Belang Krant te (laten) plaatsen naar aanleiding van vernieling van grafstenen: "Wat men echter niet mocht vernemen is, dat de daders, allen jonge tieners, allochtonen waren, jongeren van vreemde afkomst dus. Een cultuut die géén respect méér heeft voor de doden en voor symbolen van een ander geloof, is een ontspoorde cultuur." Tegen de oorspronkelijke medegedaagde, uitgever, is opheffing van de parlementaire onschendbaarheid gevraagd en bij beslissing toegewezen. W. heeft toegegeven het artikel van VDV te hebben opgesplitst en te hebben aangepast. De term "aanzetten tot" impliceert dat het loutere geven van informatie of het uiten van ideeën of kritiek niet volstaat om van een misdrijf te spreken. Vrijspraak.

P. 13: Foutieve berichtgeving nopens de identiteit of de afkomst van de dader(s) van een misdrijf of van enig ander gedrag dat maatschappelijk als stuitend wordt ervaren, impliceert op zichzelf echter niet noodzakelijk dat degene die verantwoordelijk is voor deze foutieve berichtgeving of de verspreiding ervan zou hebben gehandeld met de bedoeling om gevoelens van haat of geweld te doen ontstaan of om discriminatoire of segregerende gevoelens aan te wakkeren in het algemeen of tegen de persoon of de bevolkingsgroep die aldus ten onrechte met het bewuste misdrijf of het maatschappelijk als stuitend ervarend gedrag wordt geassocieerde in het bijzonder.
IEFBE 1462

De la Liberté d'expression pour l'émission "Au nom de la loi" de RTBF

Tribunal de premier instance Bruxelles 14 janvier 2014, IEFbe 1461 (Laboratoires STEROP et Overseas contre RTBF et De Persgroep)
Décision envoyée par Edward Taelman, Allen & Overy. Liberté d'expression. Liberté de la presse. Audiovisuel. Journaliste, éditeur. Faute. Obligation d'objectivité. Le 24 avril 1996, la RTBF a diffusé l'émission "Au nom de la loi". Les reportages ont été annoncés dans un article paru dans le quotidien De Morgen "Un financier du FN écoule des médicament périmés en Afrique". Le tribunal dit les demandes non fondées.

3.a. Quant à la faute:
(...) L'assimilation des agissements de la société Sterop (..) avec un comportement criminel ("assassin") dans les pays africains résulte non seulement du montage qui a été opéré par les journalistes qui ont choise de clore le reportage par un extrait de l'interview du directeur de Médecins Sans Frontières Belgisch, où il déclare que "les gens qui vendent des médicaments qui sont périmés ou sous-dosés sont des assassins" mais également de la présentation générale du reportage dont un certain nombre des séquences filmées en Afrique sont entrecoupées par des image macabres (cimetière, épidémie, vautours).
(...)
En revanche, le tribunal est d'avis que les journalistes de la RTBF ne disposaient pas d'une base factuelle suffisante pour soutenir ou laisser supposer que, ce faisant, les sociétés Sterop ou Sterop Overseas semaient la mort en Afrique.
IEFBE 1451

Arts wordt relatief publieke persoon door opzienbarende rechterlijke beslissing

Hof van beroep Brussel 30 juni 2015, IEFbe 1451 (Palliatieve zorgen)
Uitspraak aangebracht door Edward Taelman, Allen & Overy. Mediarecht. Persrecht. Privacy. oor kankerpatiënte en haar familie werd een eenzijdig verzoek tot bevelen van kunstmatige ventilatie via een canule uit te voeren, die de arts zou hebben geweigerd vanwege de uitzichtloze situatie. Deze beschikking zou in strijd zijn met het beginsel dat een arts geen behandeling uit te voeren die geen positieve gevolgen kan hebben. Over deze beslissing is bericht in media. Uit de getrapte aansprakelijkheid uit artikel 25 lid 2 van de gecoördineerde Grondwet volgt dat de uitgever, drukker of verspreider niet vervolgd kan worden. De hoofdredacteur valt niet hieronder. De artikels getiteld "Iemand van 98 krijgt geen medicamenten meer" en "Nog klachten over diensthoofd palliatieve zorgen in Halle", "Rechter dwingt dokter om patiënt te behandelen", dit is voorwerp van een sterk maatschappelijk debat. De RvdJ [2009-07] wordt aangehaald: Het noemen van de naam van klager en tonen van zijn foto is geen inbreuk op privacy, de persoonlijke levenssfeer is nooit aan bod en er is gelegenheid geweest om te reageren, waar de voorkeur niet aan werd gegeven. Appellant wordt telkens afgebeeld in zijn doktersjas dus als professioneel in het vak en volledig neutraal. Het vonnis wordt bevestigd.

3.4. Appellant beklaagt er zich tenslotte over dat zijn recht op afbeelding zou zijn geschonden in twee van de geciteerde artikels.

De publicatie van een afbeelding van (relatief) publieke personen of van particulieren die in een actualiteit van algemeen belang betrokken zijn, maakt geen fout uit wanneer de publicatie strekt tot een informatie in het kader van deze actualiteit en niet gepaard gaat met een inbreuk op het recht op privacy.

Het recht op informatie ontstaat wanneer de actualiteit het privédomein overstijgt en een kwestie van algemeen belang wordt waardoor het recht op afbeelding in zeker mate ophoudt toe te behoren aan de oorspronkelijke titularis om het voorwerp te worden van een recht op informatie van de bevolking.

Appellant wordt telkens afgebeeld in zijn doktersjas dus als professioneel in het vak en volledig neutraal. De afbeeldingen zijn geenszins kwetsend of spottend. Op die foto's kan nergens enig verband worden gelegd met het privé-even van appellant. Uit die gepubliceerde foto's kan geen inbreuk op de privacy worden afgeleid. Hij kwam in de actualiteit n.a.v. een beschikking genomen op eenzijdig verzoekschrift en uitgesproken op 16 mei 2008. Deze beslissing werd doro een aantal geneesheren als 'opzienbarend' beschouwd en 'in tegenstrijd met hun deontologische code'. Niet alleen het Laatste Nieuws deed hierover berichtgeving, maar vele andere media. Hierdoor werd appellant een relatief publieke persoon.

De Privacycommissie waartoe appellant zich gericht heeft, stelde in haar brief van 20 januari 2010 dat wat het bekendmaken betreft van persoonsgegevens (naam, voornaam, afbeelding) de toestemming van de betrokkene slechts één van de toelaatbaarheidsgronden is opgesomd in artikel 5,a van de Privacywet (...)

IEFBE 1450

BV gaf geen informatie, laat staan negatieve, aan journalist

Hof van Beroep Antwerpen 29 april 2015, IEFbe 1450 (Ol tegen journalist en Bekende Vlaming)
Uitspraak aangebracht door Edward Taelman, Allen & Overy. Mediarecht. O heeft samen met een bekende vlaming (BV) een modezaak Farfalle. De eisen tot schadeloosstelling van eiseres tegen journalist en hoofdredacteur worden afgewezen. De beweerde fout van de journalist is door het artikel "[BV] emotioneel en financieel gekraakt door faillissement van haar modezaak" in het weekblad "Dag Allemaal" te publiceren. Hij heeft de journalistieke waarden (hoor en wederhoor en nader onderzoek) uitgevoerd. De hoofdredacteur, verantwoordelijke voor de frontpagina ['opgelicht door haar beste vriendin], heeft geen onderscheiden fout gemaakt. De lay-out is de gebruikelijke opmaak van de frontpagina. Het hof stelt vast dat O geen bewijs levert dat BV informatie over eiseres als persoon en/of over Farfalle, laat staan negatieve informatie verstrekte aan de journalist.

Het hof merkt op dat de inspanningsverbintenis van de journalist met betrekking tot het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de waarachtigheid van de vergaarde informatie met redelijkheid moet worden benaderd, rekening houdend met de beperkte onderzoeksmogelijkheden van de journalist.
(...) De bewering [dat de inspanningen niet zijn geleverd] geraakt niet bewezen.
IEFBE 1429

Vragen aan HvJ EU: Is het begrip kabel technologieneutraal?

Prejudiciële vragen aan HvJ EU 2 juni 2015, IEFbe 1429; zaak C-275/15 (ITV Broadcasting tegen TV Catchup)
Mediarecht. Telecom. Auteursrecht. Verzoeksters zijn commerciële omroepen. Verweerster TVCatchup levert diensten voor live streaming op internet van uitzendingen van zowel verzoeksters als van de BBC-zenders. Verzoeksters hebben beroep ingesteld tegen verweersters activiteiten wegens inbreuk op hun auteursrechten. Dit leidde tot zaak [IEF 12409] waarin het HvJEU besliste over de vraag naar betekenis van de term “mededeling aan het publiek” dat inbreuk was gemaakt op verzoeksters’ auteursrecht voor zover er sprake was van mededeling aan het publiek. De verwijzende rechter (High Court, oktober 2013) oordeelde echter tevens dat verweersters zich konden beroepen op de Copyright Designs and Patents Act 1998 (CDPA) waarin is bepaald (zoals gewijzigd ter uitvoering van RL 2001/29/EG) dat „indien een uitzending via de ether vanuit een plek in het VK wordt ontvangen en onmiddellijk wordt wederdoorgegeven via kabel [...], geen inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht, indien en voor zover die uitzending is bedoeld voor ontvangst in het gebied waarin zij per kabel wordt doorgegeven en deel uitmaakt van een ‘in aanmerking komende dienst’ (qualifying service)” en “het auteursrecht op enig in de uitzending opgenomen werk wordt niet geschonden indien en voor zover de uitzending bedoeld is voor ontvangst in het gebied waarin zij per kabel wordt wederdoorgegeven”. ‘In aanmerking komende dienst’ omvat uitzending via zendmasten van de omroepen ITV, Channel 4 en Channel 5.

Verzoeksters hebben hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld omdat zij menen dat het verweer in de CDPA geen internetuitzendingen omvat (wel kabel). Zij stellen dat het begrip ‘kabel’ in de EUregelgeving (RL 2001/29) nauwkeuring is omschreven. Het zinsdeel ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ ziet op het verschaffen van toegang door omroepdiensten tot kabelnetwerken (de ‘doorgifteverplichting’ uit RL 2002/22) en ziet niet op de uitzondering voor het ontvangstgebied. Verweerster stelt dat het zinsdeel verwijst naar bepalingen van nationaal recht die op het tijdstip van de RL reeds bestonden en toelaat dat die bepalingen ook na de RL in stand kunnen blijven. De zaak is bij uitspraak van 26-03-2015 geschorst in afwachting van het oordeel van het HvJEU.

De verwijzende VK rechter (Court of Appeal of England and Wales) legt het HvJEU de volgende vragen voor met betrekking tot de uitleg van artikel 9 van richtlijn 2001/29/EG, en in het bijzonder van de zin “Deze richtlijn doet geen afbreuk aan bepalingen betreffende met name [...] toegang tot de kabel van omroepdiensten”:

Vraag 1: Laat de geciteerde zin toe dat een nationale bepaling verder wordt toegepast met een werkingssfeer van het begrip “kabel” als omschreven in het nationale recht of wordt de werkingssfeer van dat deel van artikel 9 bepaald door de betekenis van “kabel” als omschreven in het Unierecht?
Vraag 2: Indien “kabel” in artikel 9 wordt bepaald door het Unierecht, wat betekent dit begrip dan? In het bijzonder:
(a) Heeft het een technologisch specifieke betekenis die is beperkt tot traditionele kabelnetwerken die worden beheerd door gewone kabeldienstaanbieders?
(b) Zo niet, heeft het dan een technologisch neutrale betekenis die functioneel vergelijkbare via internet doorgegeven diensten omvat?
(c) Omvat het hoe dan ook straalverbindingen tussen vaste zendmasten?
Vraag 3: Is de geciteerde zin van toepassing (1) op bepalingen die van kabelnetwerken vereisen dat zij bepaalde uitzendingen wederdoorgeven of (2) op bepalingen die de wederdoorgifte van uitzendingen via de kabel toelaten (a) indien de wederdoorgifte simultaan gebeurt en beperkt is tot de gebieden waarvoor de uitzendingen bestemd waren en/of (b) indien de wederdoorgifte uitzendingen betreft op zenders waarop bepaalde openbaredienstverplichtingen rusten?
Vraag 4: Indien de werkingssfeer van “kabel” in artikel 9 wordt bepaald door het nationale recht, gelden dan voor de bepaling van nationaal recht de Unierechtelijke beginselen van evenredigheid en van een billijk evenwicht tussen de rechten van houders van auteursrechten, de rechten van kabeleigenaars en het algemeen belang?
Vraag 5: Is artikel 9 beperkt tot de bepalingen van nationaal recht die golden op de datum waarop tot de richtlijn was besloten, de datum waarop die in werking trad of de uiterste datum voor omzetting ervan, of is dat artikel ook van toepassing op latere bepalingen van nationaal recht die betrekking hebben op toegang tot de kabel van omroepdiensten?
IEFBE 1416

Foto dementerende veldrijder toont hem in zijn kwetsbaarheid

RvdJ 18 juni 2015, IEFbe 1416; 2015-17 (Dementerende veldrijder)
Beelden. Portretrecht. De publicatie van  foto’s van klager, die dement is, en die hem tonen in zijn kwetsbaarheid, kan niet zonder toestemming van zijn echtgenote. Het artikel is een interview met ex-wielrenner en -veldrijder Roger. Hij getuigt over het jarenoude conflict met zijn broer en ex-wielrenner en -veldrijder Erik en vertelt ook dat Erik dement is en in een woonzorgcentrum verblijft. Er is geen wederhoor geweest en klagers zijn ook en vooral kwaad over de publicatie van de foto’s van de zichtbaar demente broer. De toestemming van broer Roger volstaat niet, de journalist had toestemming moeten verkrijgen van de echtgenoot van Erik. De klacht is gegrond.

Beslissing
Wat de kans op wederhoor betreft, spreken de versies van klagers en Primo elkaar tegen. De Raad kan op basis van die gegevens niet uitmaken of Primo aan klagers een loyale kans op wederhoor heeft gegeven, en kan hierover dan ook geen uitspraak doen.
Het is duidelijk dat Erik (...) zich in een maatschappelijk kwetsbare situatie bevindt. De foto’s, genomen in het woonzorgcentrum, tonen hem in zijn kwetsbaarheid en behoren tot de privésfeer. De toestemming van zijn broer Roger volstond niet om ze te publiceren. De journalist had hiervoor toestemming moeten vragen aan en verkrijgen van de echtgenote van Erik. De Raad is dan ook van oordeel dat de publicatie van de foto’s indruist tegen artikel 23 van de code dat bepaalt: ‘De journalist respecteert het privéleven en gaat in het bijzonder omzichtig om met mensen in een maatschappelijk kwetsbare situatie’, en tegen artikel 24 dat bepaalt: ‘De journalist respecteert de menselijke waardigheid en tast ze niet verder aan dan noodzakelijk is in het maatschappelijk belang van de berichtgeving.’

IEFBE 1415

'Sorry, agent heeft recup' strookt niet met inhoud

RvdJ 18 juni 2015, IEFbe 1415; 2015-16 (Korpschef Gent tegen Het Laatste Nieuws)
Grievend bericht. Tendentieuze/misleidende berichtgeving. Korpschef van de politiezone Gent, dient klacht in tegen artikel in Het Laatste Nieuws onder de titel: ‘’Sorry, agent heeft recup’. Vader vindt zelf dader van vluchtmisdrijf, maar politie doet niks’. De affirmatieve titel is in zijn algemeenheid overdreven en strookt niet met de inhoud van het artikel. Dat er niet meteen een verhoor gebeurde, noemt klager logisch, omdat een verhoor het best gebeurt door de agenten die het ongeval vaststelden nadat alle gegevens verzameld zijn, en rekening houdend met de rechten van de verdediging, o.a. het recht op bijstand door een advocaat. Maar dat betekent niet dat er niets gebeurde, zoals de boventitel van het artikel meldt. Klacht is gegrond wat de titel betreft.

 


De artikels gaan over een ongeval met vluchtmisdrijf, waarbij een auto twee fietsers aanreed. De fietsers waren vader en zoon. De vader kwam de bestuurder van de auto zelf op het spoor en stapte met die gegevens naar de politie. Volgens het eerste artikel deed de politie niets met de informatie. Het artikel laat de vader aan het woord die zijn verontwaardiging uit en zegt dat
de verdachte niet meteen verhoord werd, omdat de agent die na het ongeval de vaststellingen deed, met recup was.

Klager stoort zich vooral aan de titel en meer bepaald de boventitel van het eerste artikel, waarin gezegd wordt dat de politie niets deed met de informatie van de vader. De titel is sensatiebelust en strookt volgens klager niet met de inhoud van het artikel.

Het klopt volgens klager niet dat de politie niets deed met de informatie van de vader. Onmiddellijk nadat de vader de politie contacteerde met gegevens over de vermoedelijke dader, heeft de politie daarvan een proces-verbaal opgemaakt en de nodige maatregelen genomen, zodat de dader binnen het half uur geïdentificeerd was en de feiten opgehelderd waren. Dat er niet meteen een verhoor gebeurde, noemt klager logisch, omdat een verhoor het best gebeurt door de agenten die het ongeval vaststelden nadat alle gegevens verzameld zijn, en rekening houdend met de rechten van de verdediging, o.a. het recht op bijstand door een advocaat. Maar dat betekent niet dat er niets gebeurde, zoals de boventitel van het artikel meldt.

Het betwiste eerste artikel is gebaseerd op informatie van het slachtoffer van het vluchtmisdrijf, en gaat vooral in op de verontwaardiging van het slachtoffer over het feit dat de dader nog niet werd verhoord, nadat hij de politie de nodige informatie over de dader had bezorgd. De journalist heeft geprobeerd om dit te checken bij de woordvoerder van de politie.
Die was op dat ogenblik nog niet op de hoogte van de feiten en de precieze stand van zaken, en kon geen bijkomende informatie geven. Het wordt niet betwist dat de journalist zijn reactie correct heeft weergegeven. Op basis van deze, weliswaar zeer summiere reactie, kon de journalist besluiten dat de versie van het slachtoffer klopte en dat de dader nog niet verhoord was.

Wat de omstreden boventitel van het artikel betreft, die niet door de journalist zelf werd gemaakt, meent de Raad dat deze inderdaad wel zeer affirmatief meldt dat de politie 'niets doet'. In het artikel wordt nochtans vermeld dat de politie bij de garagehouder geïnformeerd zou hebben over de identiteit van de bestuurder van de auto. Volgens het slachtoffer was met die informatie echter nog niets gebeurd, omdat de politieman die de vaststellingen had gedaan recup had waardoor de dader nog niet kon verhoord worden. De Raad meent dan ook dat deze titel in zijn algemeenheid overdreven is en niet strookt met de inhoud van het artikel.

Om die redenen is de Raad voor de Journalistiek van oordeel: De klacht is gegrond wat de titel betreft.
IEFBE 1414

Gegronde klacht over hergebruik Twitter-foto ter illustratie uitgaansleven mediafiguur

RvdJ 18 juni 2015, IEFbe 1414; 2015-15 (Hoste tegen TV Familie)
Het magazine publiceert een foto van sociale media in een andere en voor klaagster compromitterende context zonder daarvoor argumenten aan te brengen, en leeft gemaakte afspraken over het gebruik van de foto niet na. Een artikel met als titel 'Zo lokt den John vrouwen in bed. Hij ruilde Astrid in voor meerdere vriendinnetjes' staat in TV Familie. Klaagster klaagt erover dat TV Familie de foto van haar met John Bryan publiceerde zonder haar toestemming. Het is de tweede keer dat TV Familie de bewuste foto publiceerde. TV Familie haalde toen de foto van Twitter. Ondanks afspraken over het wissen van de foto uit de databank, wordt deze anderhalf jaar later opnieuw ingezet, maar nu volledig herkenbaar, terwijl ze de eerste keer onherkenbaar was gemaakt. Bovendien plaatste het blad de foto lukraak bij het artikel en suggereerde daarmee dat ze een relatie zou hebben of gehad hebben met John Bryan, wat niet zo is.

Beslissing
TV Familie haalde de foto van klaagster van Twitter en publiceerde die in een andere en voor klaagster compromitterende context. Het suggereert zo dat klaagster het bed zou hebben gedeeld met John Bryan, wat klaagster ontkent en waarvoor TV Familie geen enkel argument aanbrengt. Bovendien maakte TV Familie de foto, anders dan bij de eerste publicatie, niet onherkenbaar en kan klaagster duidelijk herkend worden. De publicatie van de foto druist dan ook in tegen artikel 23 van de code dat bepaalt: ‘De journalist respecteert het privéleven van personen’, en tegen de richtlijn bij artikel 22 over het gebruik van materiaal van sociale media die bepaalt: ‘Er is bijzondere terughoudendheid vereist wanneer beeldmateriaal wordt gebruikt dat in een totaal andere context op het net werd geplaatst dan die van de nieuwsfeiten waarover bericht wordt. Verspreiding in de ene context betekent niet dat het beeldmateriaal zomaar in een andere context mag worden gebruikt’.

Uit mailcorrespondentie die klaagster voorlegt, blijkt ook duidelijk dat een journalist van TV Familie in 2013 toezegde dat het magazine de foto niet meer zou gebruiken. TV Familie heeft zich niet aan die afspraak gehouden, wat indruist tegen artikel 21 van de code: ‘De journalist maakt met bronnen of andere gesprekspartners geen afspraken die zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengen. Maar gemaakte afspraken moeten wel worden nageleefd’.
IEFBE 1409

Controversieel standpunt geïnterviewde ligt niet aan redactionele aanpak journalist

RvdJ 18 juni 2015, IEFbe 1409; 2015/13 (Kitobo t/ VRT - Het Journaal)
Mediarecht. Klacht ongegrond. Klager, slachtoffer van seksueel misbruik in de kerk, acht het ongepast dat de bisschop zijn standpunt kan ventileren zonder ook de slachtoffers om hun mening te vragen. De invalshoek van de reportage is relevant en de journalist geeft het standpunt van de geïnterviewde waarheidsgetrouw en onafhankelijk weer. Dat het standpunt van de geïnterviewde controversieel kan overkomen, ligt niet aan de redactionele aanpak van de journalist. Het probleem van de verjaring is een – overigens niet eenvoudige – juridisch-technische kwestie waarover de reportage geen oordeel velt.

(...) De journaliste had volgens klager ook moeten vragen waarom de bisschop het gerecht niet op de hoogte heeft gebracht van de problematiek. Daardoor komt de bisschop er makkelijk vanaf, wat volgens klager leidde tot een ongepast zelfbeklag van de bisschop. Klager noemt deze benadering ongepast en kwetsend voor alle slachtoffers van seksueel misbruik in de Kerk. Bovendien laat Het Journaal de bisschop zijn standpunt ventileren zonder ook de slachtoffers om hun mening te vragen, terwijl de journaliste volgens klager wist dat minstens één slachtoffer bereikbaar was.

(...) Het Journaal behandelt het dossier rond de priester vanuit de invalshoek van de maatregelen die de Kerk hem oplegde. Dat is een relevante redactionele insteek voor een item van twee minuten, waarin niet alle aspecten rond seksueel misbruik in de Kerk aan bod kunnen komen. De journaliste interviewt de bisschop van Gent over het reisverbod en geeft zijn standpunt waarheidsgetrouw en onafhankelijk weer, wat dat standpunt ook moge zijn. Dat het standpunt controversieel kan overkomen, ligt niet aan de redactionele aanpak van de journaliste.

Het probleem van de verjaring is een – overigens niet eenvoudige – juridisch-technische kwestie waarover de reportage geen oordeel velt. De Raad stelt verder vast dat de formulering van enkele passages in het verslag onnauwkeurig is, maar de onnauwkeurigheden zijn niet van die aard dat ze als een beroepsethische fout beschouwd kunnen worden.