Auteursrecht - Droit d'auteur

IEFBE 2671

BenGH: Auteursrecht op werk van toegepaste kunst dat is vervallen wegens niet afleggen van een instandhoudingsverklaring herleeft niet

Benelux Gerechtshof - Cour Benelux 18 jul 2018, IEFBE 2671; (Montis tegen Goossens Meubelen), http://www.ie-forum.be/artikelen/bengh-auteursrecht-op-werk-van-toegepaste-kunst-dat-is-vervallen-wegens-niet-afleggen-van-een-instan

Benelux Gerechtshof 18 juli 2018, IEF 17862; IEFbe 2671; A 2013/2 (Montis tegen Goossens Meubelen) Auteursrecht. Toegepaste kunst. Instandhoudingsverklaring. Zie eerder Rechtbank [IEF 7961], Hof [IEF 9551], HR [IEF 14714], BenGH [IEF 14819], HvJ EU [IEF 16327]. Het vervallen van artikel 21, lid 3, (oud) Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen of modellen, per 1 december 2003, ingevolge het Protocol van 20 juni 2002 houdende wijziging van die wet, heeft niet tot gevolg dat het auteursrecht ten aanzien van een werk van toegepaste kunst dat voor 1 december 2003 is vervallen wegens het niet tijdig afleggen van een instandhoudingsverklaring, herleeft.

Français: L'abrogation au 1er décembre 2003 de l'article 21, alinéa 3, ancien, de la Loi uniforme Benelux en matière de dessins ou modèles, par le Protocole du 20 juin 2002 portant modification de cette loi, n'a pas pour effet de faire renaître le droit d'auteur sur une œuvre des arts appliqués qui s'est éteint avant le 1er décembre 2003 en raison de l'absence de dépôt à temps d'une déclaration de maintien.

IEFBE 2644

Quasi identieke brilmonturen kwalificeren als namaak en zijn een schending van de eerlijke marktpraktijken

Gent - Gand 18 dec 2017, IEFBE 2644; (M&M tegen Matthieu Duchene Design), http://www.ie-forum.be/artikelen/quasi-identieke-brilmonturen-kwalificeren-als-namaak-en-zijn-een-schending-van-de-eerlijke-marktprak

Hof van beroep Gent 18 december 2017, IEFbe 2644 (M&M tegen Matthieu Duchene Design) De redactie is op zoek naar: Tussenarrest Hof van beroep Gent 3 april 2017 en Rechtbank van Koophandel Gent (afd. Gent) 13 november 2014, om deze aan dit bericht toe te voegen redactie@ie-forum.be. M&M heeft op 29 januari 2012 van elk type brilmontuur van Matthieu Duchene Design, waaronder de “Menthe” en “Basilic” één exemplaar gekocht en heeft daarna de eigen quasi identieke monturen op de markt gebracht. M&M betwist het bestaan van het auteursrecht van Matthieu Duchene Design op de “Menthe” en “Basilic”. Schetsen en het merk op het montuur bewijzen echter voldoende dat zij de auteursrechthebbende persoon is. Het montuur Menthe is een eigen intellectuele schepping. Bijgevolg is dat dit model origineel is in de zin van de wet. Met het montuur “PD 6195” maakt M&M derhalve inbreuk op het montuur “Menthe”. Bij een globale indruk, op een normaal aandachtige brilkoper, zijn de monturen identiek te noemen. Er is sprake van namaak. De handelswijze van M&M is een vorm van onrechtmatige mededinging. Er is sprake van een schending van de eerlijke marktpraktijken.

IEFBE 2650

Telenet moet identiteit klant bekend maken ter bescherming intellectueel eigendomsrecht Siemens

Antwerpen(afd. Antwerpen) - Anvers(div. Anvers) 19 jan 2017, IEFBE 2650; (Siemens tegen BVBA Telenet), http://www.ie-forum.be/artikelen/telenet-moet-identiteit-klant-bekend-maken-ter-bescherming-intellectueel-eigendomsrecht-siemens

Rechtbank van Koophandel Antwerpen (afd. Antwerpen) 18 januari 2017 IEFbe 2650 (Siemens tegen BVBA Telenet) Auteursrecht. Siemens verkoopt het softwareprogramma NX. BVBA Telenet is een internetserviceprovicer. Siemens stelt dat zij via het beveiligingsmechanisme dat in dit pakket (NX) is ingebouwd, te weten is gekomen dat een versie ervan op herhaalde ogenblikken in 2014 en 2015 werd opgestart met gebruik van een niet–authentiek licentiebestand met BVBA Telenet als internetserviceprovider. Siemens vordert Telenet tot het bekend maken van de identiteit van haar klant. De vordering wordt toegewezen omdat het evenredig is het het doel; bescherming van intellectuele eigendomsrechten.

IEFBE 2639

Auteursrechtinbreuk door Aldi: beeldje 'Happy Friend' werkt bewust verwarring in de hand

Gent(afd. Gent) - Gand(div. Gand) 11 jan 2018, IEFBE 2639; (Jolipa tegen Aldi Inkoop en Vango), http://www.ie-forum.be/artikelen/auteursrechtinbreuk-door-aldi-beeldje-happy-friend-werkt-bewust-verwarring-in-de-hand

Rechtbank van Koophandel Gent (afd. Gent) 11 januari 2018, IEFbe 2639 (Jolipa tegen Aldi Inkoop, Vango en Cardiff) Auteursrecht. Oneerlijke marktpraktijken. Jolipa is een onderneming actief in de groothandel van onder meer interieurdecoratie. Vango is een Belgische importeur en groothandelaar in diverse niet-elektronische huishoudartikelen en aanverwante producten. Cardiff is een met Vango economisch verbonden onderneming. Cardiff heeft met Aldi een verkoopovereenkomst gesloten met betrekking tot 'Happy Friend' design beeldjes. Jolipa stelt dat er inbreuk is gemaakt op hun auteursrecht op het beeldje 'P'tit Maurice'. De klakkeloze overname van beschermde trekken impliceert dat de inbreukmaker zichzelf geen enkele creatieve inspanning heeft getroost om eigen accenten te leggen, en integendeel de verwarring bewust in de hand werkt. De vordering is gegrond verklaard en verplicht inbreukmakende producten terug te roepen en schadevergoeding te betalen. Auteursrechtinbreuk maakt te dezen inbreuk op eerlijke marktpraktijken uit. 

IEFBE 2638

Fairy niet-ontvankelijk omdat Godiva de vervaardiging chocolate eclairs in België heeft stopgezet

Brussel - Bruxelles(Fr./Nl.) 14 jun 2018, IEFBE 2638; (Fairy tegen Godiva), http://www.ie-forum.be/artikelen/fairy-niet-ontvankelijk-omdat-godiva-de-vervaardiging-chocolate-eclairs-in-belgi-heeft-stopgezet

Voorz. NL Rechtbank van Koophandel Brussel 14 juni 2018 IEFbe 2638 (Fairy chocolates BVBA tegen Godiva Belgium) Merkinbreuk en auteursrechtinbreuk. Fairy is een Belgische banketbakker. Hun CHO'CLAIR is een luxepraline in de vorm van een eclair. Ze hebben het als merk gedeponeerd. Godiva is een bekende chocoladefabrikant. Ze brachten op de Japanse en Amerikaanse markt een langwerpige praline uit onder de naam Chocolate Eclair. Fairy vordert een staking en Godiva laat weten dat ze de vervaardiging in België heeft stopgezet. Dit betekent dat er op de datum van de gedinginleidende dagvaarding geen inbreuk of zelfs dreing van inbreuk meer was. De vordering van Fairy is niet-ontvankelijk.

IEFBE 2632

Prejudicieel gestelde vragen over criteria van 'voorbereidend materiaal' voor de bescherming van computerprogramma's

HvJ EU - CJUE 3 apr 2018, IEFBE 2632; (Dacom tegen IPM), http://www.ie-forum.be/artikelen/prejudicieel-gestelde-vragen-over-criteria-van-voorbereidend-materiaal-voor-de-bescherming-van-compu

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU 3 april 2018, IEF 17804; IEFbe 2632; IT 2595; C-313/18 (Dacom tegen IPM) Auteursrecht. Dacom Limited is een Cypriotische vennootschap, waarvan persoon Y in de periode 2007-2011 de enige eigenaar was. IPM Informed Portfolio Management AB (hierna: IPM) is een Zweedse vennootschap die activiteiten uitoefent inzake vermogensbeheer. In 2003 sloten Y en IPM een overeenkomst volgens welke Y een werknemer van IPM zou worden en in de moedermaatschappij van IPM zou investeren. De tewerkstelling ging datzelfde jaar van start en Y werd vervolgens ook een aandeelhouder van de moedermaatschappij. Volgens Dacom eindigde de tewerkstelling van Y in 2004 en leverde Dacom Y’s diensten vanaf dan aan IPM als consultant. IPM betoogde echter dat Y’s tewerkstelling bij IPM ongewijzigd voortging. In de periode waarin Y actief was bij IPM werd een computerprogramma voor vermogensbeheer ontwikkeld. Het geschil betreft de vraag wie aanspraken heeft op (een deel van) de auteursrechten op dat computerprogramma en het voorbereidende ontwerpmateriaal. Dacom is van mening dat zij gedeeld auteursrecht bezit op het computerprogramma, nu Y als consultant betrokken was bij het maken en ontwikkelen van het voorbereidende ontwerpmateriaal voor de software. Dacom vordert daarom een verbod voor IPM om kopieën van de software te maken. Volgens IPM was Y in loondienst en ontwikkelde Y geen voorbereidend materiaal voor de software, waardoor alleen IPM het auteursrecht bezit op het computerprogramma.

Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 2009/24/EG omvatten door het auteursrecht  beschermde computerprogramma’s ook het voorbereidende materiaal. De bepaling bevat geen definitie van de term voorbereidend materiaal, maar in overweging 7 van de richtlijn wordt uitgelegd dat de term computerprogramma eveneens het desbetreffende voorbereidende ontwerp-materiaal omvat dat tot het vervaardigen van een programma leidt, op voorwaarde dat dit voorbereidende ontwerpmateriaal van dien aard is dat het later tot zulk een programma kan leiden. In een aantal prejudiciële beslissingen heeft het Hof naar de term voorbereidend ontwerpmateriaal verwezen, maar de niet verduidelijkt. De vraag rijst daarom wanneer sprake is van voorbereidend materiaal. Ook rijst de vraag wanneer iemand als een werknemer kan worden beschouwd, nu artikel 2 lid 3 van richtlijn 2009/24/EG bepaalt dat indien een computerprogramma gemaakt is door een werknemer bij de uitoefening van zijn taken of in opdracht van zijn werkgever, de werkgever bij uitsluiting bevoegd is de economische rechten met betrekking tot het programma uit te oefenen. De verwijzende rechter twijfelt of aansluiting kan worden gezocht bij de in de rechtspraak van het Hof bestaande uitlegging van de term werknemer. Daarbij is het de vraag of, wanneer partijen samen houders van een intellectueel-eigendomsrecht zijn, een van de partijen een bevel tot staking in de zin van richtlijn 2004/48/EG aan de andere partij kan richten. De verwijzende rechter gaat daarom over tot het stellen van prejudiciële vragen.

Prejudiciële vragen:

1.1 Aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld of materiaal “voorbereidend materiaal” is in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s? Kunnen documenten waarin de vereisten worden vastgesteld betreffende de functies die een computerprogramma moet uitvoeren en de resultaten die het programma moet bereiken, bijvoorbeeld de gedetailleerde beschrijving van beleggingsprincipes of risicomodellen voor vermogensbeheer, met inbegrip van wiskundige formules die in het computerprogramma moeten worden toegepast, als dergelijk voorbereidend materiaal worden beschouwd?

1.2 Moet materiaal, om als “voorbereidend materiaal” in de zin van de richtlijn te kunnen worden aangemerkt, zo volledig en gedetailleerd zijn dat de persoon die de eigenlijke code van een computerprogramma schrijft in de praktijk geen eigen keuzes meer hoeft te maken?

1.3 Brengt het exclusieve recht op voorbereidend ontwerpmateriaal in de zin van de richtlijn met zich mee dat het computerprogramma dat het uiteindelijke resultaat van dat voorbereidend materiaal wordt, als een bewerking van het voorbereidende ontwerpmateriaal (artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn

2009/24/EG) en dus met betrekking tot het auteursrecht als een afhankelijk werk moet worden beschouwd, of dat het voorbereidende ontwerpmateriaal en de software als twee verschillende uitdrukkingswijzen van een en hetzelfde werk moeten worden aangemerkt, dan wel dat ze twee onafhankelijke werken vormen?

2.1 Kan een consultant die in dienst is van een andere onderneming maar al een aantal jaren voor dezelfde cliënt werkt en – bij de uitoefening van zijn taken of in opdracht van de cliënt – een computerprogramma heeft gemaakt, als een werknemer [van de cliënt-onderneming] worden beschouwd voor de toepassing van artikel 2, lid 3, van richtlijn 2009/24/EG?

2.2 Op basis van welke criteria moet worden beoordeeld of iemand een werknemer is in de zin van die bepaling?

3.1 Moet artikel 11 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten aldus worden uitgelegd dat het ook mogelijk moet zijn om een rechterlijk bevel tot staking te verkrijgen in een situatie waarin de eiser en de partij tegen wie dat bevel is gericht, samen houders van het desbetreffende intellectuele-eigendomsrecht zijn?

3.2 Indien vraag 3.1 bevestigend wordt beantwoord, dient die situatie anders te worden beoordeeld ingeval het exclusieve recht een computerprogramma betreft dat niet wordt gedistribueerd of openbaar gemaakt maar enkel wordt gebruikt in de eigen onderneming van een van de mede-eigenaren?

IEFBE 2621

Onvoldoende naar recht aangetoond over de materieelrechtelijke vorderingsrechten op auteursrechten te beschikken

Antwerpen - Anvers 11 jun 2018, IEFBE 2621; (Ideca tegen Atraxion), http://www.ie-forum.be/artikelen/onvoldoende-naar-recht-aangetoond-over-de-materieelrechtelijke-vorderingsrechten-op-auteursrechten-t

Hof van beroep Antwerpen 11 juni 2018, IEFbe 2621 (Ideca tegen Atraxion) Auteursrecht. X en BVBA Ideca stellen houder te zijn van auteursrechten op een computerprogramma die werd ontworpen als webshop voor BVBA Atraxion. Atraxion verkoopt onderdelen van dit programma aan derden. Bij gebrek aan bewezen materiële schade die een gevolg zou zijn van het beslag, begroot de rechtbank de schade van Atraxion op één symbolische euro [IEFbe 2446]. Het hof oordeelt dat de heer BW/Ideca onvoldoende naar recht aantonen te beschikken over de materieelrechtelijke vorderingsgerechtigheid om een vordering tot verkrijging van beschrijvende maatregelen in te stellen. Het Hof verklaart het derdenverzet toelaatbaar en gegrond en trekt de gewezen beschikking in.

 

IEFBE 2626

Wanprestaties van uitgeverij 'T Mannekesblad zijn voldoende om contract met striptekenaar Pom te ontbinden

Antwerpen - Anvers 25 jun 2018, IEFBE 2626; ('T Mannekesblad tegen Geïntimeerden), http://www.ie-forum.be/artikelen/wanprestaties-van-uitgeverij-t-mannekesblad-zijn-voldoende-om-contract-met-striptekenaar-pom-te-ontb

Hof van Beroep Antwerpen 25 juni 2018, IEFbe 2626 (‘T Mannekesblad tegen Geïntimeerden) Geïntimeerden zijn de erfgenamen van wijlen striptekenaar “Pom”, auteur van onder meer de reeks “Piet Pienter en Bert Bibber”. Volgens uitgeverij ‘T Mannekesblad heeft Pom met haar in 2011 een uitgavecontract gesloten. In het contact werd een nulvergoeding afgesproken, omdat de auteur het plezier gegund werd om zich gepubliceerd te zien. De uitgeverij betaalde wel een bedrag van 500 euro aan de auteur. Bij het bestreden vonnis van 20 december 2016 wordt het uitgavecontract ontbonden. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. De contractuele wanprestaties van de 'T Mannekesblad zijn voldoende zwaarwichtig om de ontbinding van het contract in zijn geheel in het nadeel van de uitgeverij te rechtvaardigen. De vaststelling van de schadevergoeding vereist voorafgaandelijk deskundigenonderzoek. In afwachting van de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek bestaat geen aanleiding tot toekenning aan geïntimeerden van enige vergoeding.