Auteursrecht - Droit d'auteur  

IEFBE 789

Persoonlijkheidsrecht getattoëerde staat boven auteursrecht tatoeëerder

Hof van Beroep Gent 5 januari 2009, IEFbe 789  (J.D'H tegen J.M.)
Archief via IPKat. Auteursrecht op tatoeage. Rechten van tatoeëerder, fotograaf en persoonlijkheidsrecht getatoeëerde. De heer DH laat grote delen van zijn lichaam tatoeëren door heer M.. M. gebruikt een foto van door hem gezette tatoeages ter promotie, maar wordt verzocht dit te staken. Hem wordt in eerste aanleg en in hoger beroep verboden de foto te gebruiken onder last van een gemaximeerde dwangsom van €500 per inbreuk.

I. Auteursrecht op een tatoeage - onderscheid tussen de ontworpen en de uitgevoerde tatoeage - onderscheid tussen de vermogens- en de morele rechten.
De tatoeërder kan geen morele auteursrechten laten gelden op een uitgevoerde tatoeage. Het reproductierecht van een tatoeëerder beperkt zich tot het al dan niet opnieuw uitvoeren van de ontworpen tekening op een ander lichaam, van een ander persoon.
II. Schending artikel 10 van de Auteurswet en van het recht op afbeelding. De toestemming moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn en is restrictief te interpreteren. De omvang van de foto en de aanwezigheid van een zwart balkje zijn niet voldoende om geen schending te hebben.
III. Criteria van originaliteit van een foto. Intellectuele inspanning en persoonlijke inbreng van de auteur-fotograaf blijkt uit de keuze van belichting, achtergrond, punt van waaruit de foto getrokken is.
IV. Rechtsherstel: de vordering tot publicatie van het arrest is in deze in strijd met de ingeroepen schending van de privacy, waartoe het recht op afbeelding behoort.

Introductie Auteurs & Media:
Een onderscheid moet gemaakt worden tussen het auteursrecht op de tekening van de tatoeage zoals ze is aangebracht op het lichaam.
Het reproductierecht van een tatoeëerder beperkt zich tot het al dan niet opnieuw uitvoeren van de ontworpen tekening op een ander lichaam, van een andere persoon. Het reproductierecht van een tatoeëerder mag niet zo worden begrepen dat het getatoeëerde lichaam niet mag getoond worden of gefotografeerd worden zonder de instemming van de auteur-tatoeëerder. Het reproductierecht van een tatoeage is beperkt door de persoonlijkheidsrechten van de getatoeëerde. Eens de tekening is aangebracht  op het lichaam, beschikt de tatoeëerder niet over de morele rechten die verbonden zijn aan het auteursrecht.
Het persoonlijkheidsrecht van de (bewegings)vrijheid die een mens heeft om over zijn lichaam te beschikken, primeert op het auteursrecht van de auteur-tatoeëerder.
In het kader van de beoordeling van het portretrecht op basis van artikel 10 auteurswet is het irrelevant dat een zwart balkje is aangebracht over de zijkant van het hoofd van de geportretteerde, omdat dit de identiteit van de betrokkene niet verbergt. Om een inbreuk te maken op het recht op afbeelding is het niet nodig dat de aandacht gevestigd wordt op het gezich op de foto. Een algemene herkenbaarheid is voldoende.
Uit de aard van het recht op afbeelding volgt dat de toestemming om een foto te publiceren duidelijk, ondubbelzinnig en restrictief te interpreteren is.
Een foto is origineel en geniet bescherming van het auteursrecht wanneer deze de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de auteur en de stempel van zijn persoonlijkheid draagt. Dit blijkt uit de keuzes die gemaakt zijn voor de belichting, de opnamehoek en de achtergrond.
Wanneer de kunstenaar in opdracht heeft gewerkt en de opdrachtgever eigenaar wordt van het werk, behoudt de kunstenaar, tenzij hij er afstand van heeft gedaan, zijn auteursrechten op het werk en dus ook op zijn reproductierechten. De afstand van rechten kan geenszins worden afgeleid uit de afgifte van de originele foto.

IEFBE 825

Usage l'image dans le cadre de offre en vente sur l'internet

Président du Tribunal de Commerce de Mons 19 avril 2013, IEFbe 825 (Lovemyfantasmes.be)
La demanderesse demande de cesser immédiatement tout usage de l'image, de supprimer de son site web www.lovemyfantasmes.be toute reproduction de l'image litigieuse et (aussi) de retirer du marché les produits étiquetés sous l'image litigieuse afin de les ré-étiqueter. Le président ordonne à la société TROCINVEST de cesser immédiatement tout usage et/ou reproduction de l'image sur laquelle X détient des droit d'auteur à quelque titre que ce soit et notamment dans le cadre de toute vente ou offre en vente sur internet ou dans le cadre de foires professionelles ou de ventes à domicile.

III Décision du juge faisant fonction de président:
Constate l'existence dans le chef de la société TROCINVEST, d'une atteint aux droits d'auteur de X sur l'image représentant le bas d'un visage et une bouche maquillés tenant entre les dent un plume blanche tels que consacrés par l'article 1er de la loi du 30 juin 1994.

Constate qu'un tel usage, non autoriseé par X par la société TROCINVEST dans le cadre de son activité commerciale constitue un acte contraire aux pratiques du marché tel que visé à l'article 95 de la loi du les pratiques du Marché.

Ordonne à la société TROCINVEST de cesser immédiatement tout usage et/ou reproduction de l'image sur laquelle X détient des droit d'auteur à quelque titre que ce soit et notamment dans le cadre de toute vente ou offre en vente sur internet ou dans le cadre de foires professionelles ou de ventes à domicile.

Lui ordonne de supprimer de son site web www.lovemyfantasmes.be et de tout autre support électronique, toute reproduction de l'image litigieuse.
IEFBE 819

Internationale conferentie SCAPR in Amsterdam

Vandaag start de 39e SCAPR-bijeenkomst in Amsterdam. SCAPR is de internationale koepelorganisatie van collectieve beheersorganisaties wereldwijd op het gebied van naburige rechten. NORMA en Sena organiseren dit jaar de SCAPR General Assembly, die jaarlijks in een gastland plaatsvindt. De speech (hier) voor de openingsborrel is van Erwin Angad-Gaur.

Het doel van SCAPR is om de samenwerking en uitwisseling van naburige rechtengelden tussen alle zusterorganisaties wereldwijd te bevorderen en te verbeteren, zodat alle uitvoerende kunstenaars de gelden ontvangen waar zij wereldwijd recht op hebben. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de internationale distributiesystemen IPD4 en (het nog in ontwikkeling zijnde) VRDB2 om de uitwisseling van gelden efficiënter te maken.

Tijdens de SCAPR-bijeenkomst wordt er verslag gedaan van alle activiteiten van het afgelopen jaar, waaronder de presentaties van de resultaten van verschillende werkgroepen die betrekking hebben op verbeteringen in de internationale uitwisseling van rechtengelden en alle technische en juridische aspecten die daarbij komen kijken.

IEFBE 814

Deskundigenverslag onbetrouwbaar - geen ogenschijnlijk IE op software

Hof van Beroep Antwerpen 30 april 2014, IEFbe 814 (Network Proces control c.s. tegen GOnline)
Zie eerder IEFbe 506. Er werd geoordeeld dat de beslagleggende partijen tekort zijn geschoten in de verplichting door de rechter onvoldoende en onvolledig te informeren toen ze om beslagverlof vroegen. Een nieuw deskundigenonderzoek werd bevolen voor advies over de auteursrechtelijk bescherming van de DINO-software en wie de auteur is. Het verslag van deskundige na beschrijvend beslag inzake namaak is als onbetrouwbaar opzijgeschoven en acht jaar na vonnis blijkt nog steeds geen ogenschijnlijk IE van appellanten. Hoger beroep ongegrond.

Lees tip, onder 7, p. 5.

IEFBE 797

Why Copyright and Linking Can Tango: The Svensson Case

Naar aanleiding van zijn artikel in de "Journal of Intellectual Property Law & Practice" sprak Alexander Tsoutsanis (DLA Piper en IViR) op vrijdag 25 april 2014 op de Fordham IP Conference in New York over "Why Copyright and Linking Can Tango: The Svensson Case" (presentatie). Het artikel is te downloaden via SSRN, en bespreekt o.a. de opinies van de European Copyright Society en ALAI.

Lees verder

IEFBE 772

Binnenbekleding inbouwhaard Metalfire geen auteursrechtelijk werk

Hof van Beroep Gent 20 november 2013, IEFbe 772 (Metalfire tegen M-Design Benelux e.a.)
Auteursrecht. Beslag inzake namaak. Geen inbreuk. Beide partijen handelen in inbouwhaarden. De zaakvoerder van Metalfire was oorspronkelijk verdeler van haarden van onder meer M-Design. Tussen partijen is een betwisting ontstaan over de gietijzeren binnenbekleding van de haarden in de vorm van strakke, verticale lijnen ("ribben"). Hierop is ex parte beslag inzake namaak toegewezen aan Metalfire, waarop M-Design haar product heeft aangepast met fijnere lamellen. Ook hierop is ex parte beslag inzake namaak toegestaan. De rechter in eerste aanleg heeft beslist dat de binnenbekleding van inbouwhaarden van Metalfire bestaande uit een zwart, gietijzeren, verticaal gegroefd profiel niet auteursrechtelijk beschermd is en hefde de verbodsmaatregelen op. Het hof oordeelt dat de haarden van Metalfire geen auteursrechtelijke bescherming toekomt, wegens het ontbreken van originaliteit. De globale indruk is niet van dien aard dat een normaal aandachtige kijker getroffen wordt door de persoonlijke inbreng en creatieve keuzes. Derhalve geen inbreuk. Het hof bevestigt het bestreden vonnis.

De lamellen die Metalfire in haar inbouwhaarden gebruikt, genieten geen auteursrechtelijke bescherming. De lamellen zijn niet origineel in de zin van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, zoals achteraf gewijzigd (hierna "de Auteurswet") en van de rechtspraak van eht Europees Hof van Justitie

14. [..] De globale indruk van de haarden van Metalfire, met de gebruikte lamellen, is niet van die aard dat een normaal aandachtige kijker getroffen wordt door de verschillen ten opzichte van andere haarden met lamellen, door de persoonlijke inbreng en door de eigen creatieve keuzes van de maker, vergeleken met de andere, eerdere modellen van haarden, waarvan de binnenbekleding uit zwarte lamellen bestaat.
Het lijdt weinig twijfel dat er tijd en energie in de toepassing van de algemene tendensen op het ontwerp van de haarden is gestopt. Dit is evenwel neit voldoende om de toetssteen van originaliteit, zoals hiervoor bepaald, te doorstaan.
Het feit dat [..] de eerste zou geweest zijn, voor zover dit bewezen zou zijn, die zwarte, gietijzeren 'tand en groef' vormgeving als binnenbekleding voor haarden heeft aangewend, is niet voldoende om van originaliteit in de zin van de Europese en Belgische auteurswetgeving te spreken. [..]

IEFBE 763

PI Pharma schendt artikel 95 WMPC en moet verhandeling geneesmiddelen staken

Hof van Beroep Brussel 19 november 2013, IEFbe 763 (Eurogenerics tegen PI Pharma)

Uitspraak mede ingezonden door Kristof Roox, Crowell & Moring. Parallelimport. Farmaceutische regelgeving. Merkenrecht. Auteursrecht. Uitputting. Eurogenerics vervaardigt en commercialiseert voornamelijk generieke geneesmiddelen en is titularis van de Gemeenschaps-woord/beeldmerken EUROGENERICS en EG. PI Pharma is een Belgische onderneming die actief is op het vlak van de parallelinvoer van geneesmiddelen. Het hof stelt vast dat PI Pharma zich schuldig maakt aan schending van artikel 95 WMPC en beveelt de staking van de verhandeling van de geneesmiddelen.

Er is geen cassatievoorziening

Stelt vast dat PI Pharma zich, wat Omeprazole EG 40 mg (60 capsules) Amlodipine EG 5 mg (100 tabletten), Citalopram EG 20 mg (60 tabletten) en Lisonopril EG 20 mg (100 tabletten) betreft, schuldig maakt aan een schending van artikel 95 WMPC 1) door in strijd met de artikelen 4, 11bis, 37bis en 93, 3 van het KB van 21 december 2001 niet-terugbetaalbare geneesmiddelen te commercialiseren waarbij gebruikt wordt gemaakt van de terugbetalingsbeslissing voor een andere verpakkingsgrootte, en 2) door in strijd met artikel 90, 2 van het KB van 21 december 2001 door op niet-terugbetaalbare verpakkingsgroottes de CFK-code en unieke barcode te gebruiken die verbonden is aan een andere verpakkingsgrootte waarvoor wel een terugbetaling werd bekomen,

Beveelt aan PI Pharma de staking van de verhandeling van deze geneesmiddelen, onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per individuele inbreuk vastgesteld na een termijn van drie maanden vanaf de betekening van het tussengekomen arrest (waarbij de verkoop van één verpakking als één individuele inbreuk wordt beschouwd), met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van 500.000 euro.
IEFBE 780

DVB beslist over regie, post-productie en camerawerk als auteursrechtelijk "bijdragen"

Ruling Dienst Voorafgaande Beslissingen in Fiscale Zaken 15 april 2014, IEFbe 780 (Fiscaliteit en auteursrechten)
Bijdrage ingezonden door Tijs Laurens, Astrea. Auteursrecht. Bijdragen. Fiscale zaken. Dhr X voert in opdracht van de gcv verschillende opdrachten uit (montage, regie post-productie, camerawerk, regie en overhandiging materiële drager). De gcv stelt vast dat zij nooit apart heeft vergoed voor de auteursrechtelijke prestaties. De regie post-productie, het camerawerk, de regie en de reproductie van audiovisiuele werk op materiële drager kwalificeren als "bijdrage" in de zin van artikel 14 Auteurswet. De montage geldt echter niet als bijdrage, omdat dit slechts een technische uitvoering van post-productie-instructies betreft.

19. Aanvrager is van oordeel dat de auteursrechtelijke bescherming op een audiovisueel werk dus zelden zal worden geweigerd en bijgevolg dient nagegaan te worden welke personen van deze auteursrechtelijke bescherming kunnen genieten.

21. De geringste bijdrage aan een audiovisueel werk volstaat derhalve om als natuurlijke persoon co-auteur te zijn van het uiteindelijke werk.

23.1. Montage
(...) Integendeel, montage betreft de technische uitvoering van post-productie-instructies en geldt niet als "bijdrage" in de zin van artikel 14 van de Auteurswet.

23.3. Regie post-productie
(...) Regie post-productie betreft immers de intellectuele arbeid, ontdaan van een materiële uitvoering, die wordt vormgegeven in de finale materiële drager. Bijgevolg geldt regie post-productie normaliter wel als auteursrechtelijk beschermbaar, nu dit wel sporen draagt van een zeker intellectuele activiteit neergelegd in zodanige eigen vorm dat men er het stempel in kan zien van een bepaalde persoon. Aanvrager is van mening dat de regie post-productie kwalificatie als "bijdrage" in de zin van artikel 14 van de Auteurswet.

23.3. Camerawerk en regie
Hetzelfde geldt voor camerawerk en regie.

23.4. Overhandiging materiële drager
De overhandiging van de materiële drager op zich is geen auteursrechtelijk beschermd werk. Op die drager kunnen uiteraard wel auteursrechtelijk beschermde werken voorkomen, waarvoor desgevallend een bijkomende reproductievergoeding (auteursrechtvergoeding kan worden aangerekend).

29. Nu auteursrechtelijk aan een voor dhr X gunstiger fiscaalrechtelijk regime zijn onderworpen dan de normale bezoldiging die dhr X ontvangt van de gcv, dient er nauwlettend te worden toegezien dat de verhouding van de auteursrechtvergoedingen (royalty's) en de prestatievergoedingen (bezoldiging) de rechten van derden, waaronder de fiscus, niet miskent.

99. Gelet op de concrete omstandighede van het geval kan de DVB akkoord gaan met de door de aanvrager gedane voorstel om de vergoeding als volgt te splitsen:
 AuteursrechtDiensten
Montage0%100%
Regie post-productie25%75%
Camerawerk25%75%
Regie25%75%
Overhandiging duplicaat materiële drager100%
(onder aftrek van de reële kosten: drager en verzending)
Reële kosten (drager en verzending)
IEFBE 777

Les pièces de monnaie dans un gris relativement uniforme sont protégés

Cour de cassation 17 mars 2014, IEFbe 777 (Tradart Institut)
Droit de l'auteur. Photo des pièces de monnaie au catalogue. Imitation servile. L'arrêt considère qu'« alors que les pièces de monnaie sont de couleurs différentes (argent clair ou fonce, bronze, or, cuivre oxyde ou non), [le défendeur] les a présentées dans un gris relativement uniforme afin de donner au catalogue une impression d'homogénéité, ce qui lui permettait en même temps d'accentuer le relief des visages représentes sur l'avers et celui des scènes figurant sur le revers.

Il déduit de ces considérations de fait qu' « en l'espèce, [le défendeur]ne s'est pas contente de photographier servilement les pièces de monnaie qui devaient figurer dans le catalogue `[...]' ; [qu']il a opère des choix qui témoignent que les photographies qui ont été publiées constituent une création intellectuelle qui est propre à son auteur » et que « les photographies litigieuses présentent bien le caractère original requis par la loi relative au droit d'auteur et aux droits voisins ».

Il justifie ainsi légalement sa décision que les photographies litigieuses bénéficient de la protection de la loi relative au droit d'auteur et aux droits voisins.

IEFBE 771

Droit d’auteur et compétence internationale, une simple piqûre de rappel?

Frédéric Lejeune, 'Droit d’auteur et compétence internationale, une simple piqûre de rappel?', IEFbe 771.
Contribution envoyée par Frédéric Lejeune, Hoyng Monegier. Ces derniers temps, les conflits de juridictions ont surtout retenu l’attention lorsque les (quasi-)délits en cause étaient commis par l’intermédiaire d’Internet (cf. l’arrêt Pinckney, C-170/12 ;   l’arrêt Wintersteiger, C‑523/10;  et l’arrêt eDateC-509/09 et C-161/10).

Le récent arrêt Hi Hotel HCF SARL contre Uwe Spoering (dont il a déjà été fait écho ici: [IEFbe 751] atteste cependant de ce que les conflits de juridictions issus d’atteintes commises dans le monde réel (par opposition au monde virtuel) peuvent, eux aussi, susciter des difficultés.

Les faits à l’origine de cet arrêt peuvent être résumés comme suit :

- M. Spoering est un photographe qui, en 2003, a réalisé des photographies de différentes pièces d’un hôtel niçois baptisé "Hi Hotel"
- En 2008, M. Spoering se rend dans une librairie à Cologne et y découvre un livre d’architecture qui reprend 9 des photographies qu’il avait prises pour le compte de Hi Hotel
- M. Spoering introduit, en Allemagne, une action en justice contre Hi Hotel afin que celui-ci soit condamné (i) à "cesser de reproduire ou de faire reproduire, de diffuser ou de faire diffuser, d’exposer ou de faire exposer, sur le territoire allemand (…)" les photographies litigieuses et (ii) à "indemniser tout dommage que [M. Spoering] aurait subi et subirait en raison du comportement de Hi Hotel"
- Devant le juge allemand, Hi Hotel soutient que les éditions Phaidon, à qui il a remis les photographies litigieuses, ont également un établissement à Paris, sous-entendant par là même que le lieu du fait dommageable imputable à Hi Hotel se trouverait exclusivement en France, ce qui ôterait, à l’encontre de ce dernier, toute juridiction aux cours et tribunaux allemands sur la base de l’article 5 (3) du règlement 44/2001
- Selon le Bundesgerichtshof qui a adressé la question préjudicielle à la Cour de justice de l’Union européenne, "la compétence internationale des juridictions allemandes au titre de l’article 5, point 3, du règlement n° 44/2011 doit être vérifiée sur le fondement des propos factuels selon lesquels les éditions Phaidon de Berlin ont diffusé les photographies en question en Allemagne en violation du droit d’auteur et que Hi Hotel y a contribué par la remise de celles-ci aux éditions Phaidon de Paris"

Autrement dit: les juridictions allemandes ont-elles compétence internationale, sur la base de l’article 5 (3) du règlement 44/2001, pour connaître d’une demande dirigée contre Hi Hotel, alors que Hi Hotel a remis les photographies litigieuses aux éditions Phaidon en France (et donc que le seul fait qui puisse être reproché à Hi Hotel a été posé en France)?
 
La réponse de la CJUE est la suivante: "Au vu des considérations qui précèdent, il y a lieu de répondre à la question posée que l’article 5, point 3, du règlement n° 44/2001 doit être interprété en ce sens que, en cas de pluralité d’auteurs supposés d’un dommage allégué aux droits patrimoniaux d’auteur protégés dans l’État membre dont relève la juridiction saisie, cette disposition ne permet pas d’établir, au titre du lieu de l’événement causal de ce dommage, la compétence d’une juridiction dans le ressort de laquelle celui des auteurs supposés qui est attrait n’a pas agi, mais elle permet d’établir la compétence de cette juridiction au titre du lieu de matérialisation du dommage allégué à condition que celui-ci risque de se matérialiser dans le ressort de la juridiction saisie. Dans cette dernière hypothèse, cette juridiction n’est compétente que pour connaître du seul dommage causé sur le territoire de l’État membre dont elle relève."
 
Si la réponse de la CJUE n’est pas des plus limpides, nous croyons pouvoir inférer de cet arrêt que les juridictions allemandes ont compétence internationale à l’égard de Hi Hotel:
 
- en tant que juridictions du lieu où le dommage s’est matérialisé  (ou risque de se matérialiser);
- dans la mesure où il n’est question que du préjudice s’étant matérialisé (ou risquant de se matérialiser) sur le territoire allemand.

La solution retenue par la CJUE n’a donc – à première vue – rien de révolutionnaire, et ne semble être qu’une application à un cas d’espèce très factuel de sa très riche jurisprudence relative à l’article 5 (3) du règlement 44/2001, et en particulier des arrêts Mines de potasse d’Alsace (C-21/76), Shevill (C-68/93), Melzer (C‑228/11) et Pinckney (C-170/12).
 
En réalité, il se pourrait que l’arrêt Hi Hotel HCF SARL contre Uwe Spoering dépasse largement tout ce qui avait déjà été décidé à propos de l’article 5 (3) du règlement 44/2001 (à l’occasion d’atteintes commises dans le monde "réel"), et il faudra assurément réfléchir, en profondeur, aux conséquences de cet arrêt (mais cette ambition excède l’objectif assigné à la présente contribution).

Frédéric Lejeune