IEFBE 2864

Conclusie AG: Lidstaten moeten materieel recht vaststellen voor passende schadeloosstelling voor schade geleden door voorlopige maatregelen

HvJ EU - CJUE 11 apr 2019, IEFBE 2864; ECLI:EU:C:2019:324 (Bayer Pharma), http://www.ie-forum.be/artikelen/conclusie-ag-lidstaten-moeten-materieel-recht-vaststellen-voor-passende-schadeloosstelling-voor-scha

Conclusie AG HvJ EU 11 april 2019, IEF18389, IEFbe 2864, LS&R 1700; ECLI:EU:C:2019:324 (Bayer Pharma) Passende schadeloosstelling. Schadeloosstelling voor schade toegebracht door maatregelen die door de rechter later zijn herroepen of wegens enig handelen of nalaten van de eiser later zijn vervallen, of wanneer de rechter later heeft vastgesteld dat er geen inbreuk of dreiging van een inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten was:

1)      Artikel 9, lid 7, van [IE-Handhavingsrichtlijn] moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten zorg moeten dragen voor de vaststelling van materieelrechtelijke regels betreffende het recht van de verweerder op schadeloosstelling voor schade toegebracht door voorlopige maatregelen in de in die bepaling bedoelde situaties, met dien verstande dat die regels de vaststelling moeten waarborgen van een doeltreffende regeling en doeltreffende rechtsmiddelen die de verweerder in staat stellen om een passende vergoeding te krijgen voor alle geleden schade, en dat zij de houder van een intellectuele-eigendomsrecht niet ervan mogen weerhouden om te verzoeken om de in artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/48 bedoelde maatregelen.

IEFBE 2863

HvJ EU: Inbreuk op testlabel-merk als derde ongerechtvaardigd voordeel trekt

HvJ EU - CJUE 11 apr 2019, IEFBE 2863; ECLI:EU:C:2019:317 (OKO-Test Verlag tegen Dr. Rudolf Liebe Nachf), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-inbreuk-op-testlabel-merk-als-derde-ongerechtvaardigd-voordeel-trekt

HvJ EU 11 april 2019, IEF 18390, IEFbe 2863; ECLI:EU:C:2019:317 (ÖKO-Test Verlag tegen Dr. Rudolf Liebe Nachf) Merkenrecht.

1) Artikel 9, lid 1, onder a) en b), [UniemerkenVo] en artikel 5, lid 1, onder a) en b) [Merkenrichtlijn] moeten aldus worden uitgelegd dat de houder van een individueel merk bestaande uit een testlabel zich op grond van die bepalingen niet ertegen kan verzetten dat een derde een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met dit merk aanbrengt op waren die noch dezelfde zijn als noch soortgelijk zijn aan de waren of diensten waarvoor dat merk is ingeschreven.

2) Artikel 9, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 en artikel 5, lid 2, van richtlijn 2008/95 moeten aldus worden uitgelegd dat de houder van een bekend individueel merk bestaande uit een testlabel zich op grond van die bepalingen ertegen kan verzetten dat een derde een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met dit merk aanbrengt op waren die noch dezelfde zijn als noch soortgelijk zijn aan die waarvoor dat merk is ingeschreven, indien is aangetoond dat deze derde daardoor ongerechtvaardigd voordeel trekt uit of afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van dat merk en de derde in dit geval niet heeft aangetoond dat er een „geldige reden” in de zin van die bepalingen is voor het aanbrengen van dat teken.

 
IEFBE 2862

Martin Senftleben - Bermuda Triangle – Licensing, Filtering and Privileging User-Generated Content Under the New Directive

Martin Senftleben, Bermuda Triangle – Licensing, Filtering and Privileging User-Generated Content Under the New Directive on Copyright in the Digital Single Market (April 4, 2019), IEF 18385; IEFbe 2862; IT 2739, available at SSRN Na groen licht voor de nieuwe Richtlijn auteursrecht in de digital single market in het Parlement komt in Nederland de discussie over de finale tekst op gang (zie de eerdere bijdrage van Dirk Visser (IEF 18347) en de deLex-bijeenkomst donderdag a.s. (IEF 18378)). Één van de centrale onderwerpen is de afschaffing van de veilige haven voor hosting in het geval van auteursrechtlijk beschermde content en de daaruit voortlvoeiende verplichting om licenties te nemen en/of uploads van gebruikers te filteren.

IEFBE 2861

Prejudicieel te stellen vragen: Verricht Usenetdienst een mededeling aan het publiek?

HvJ EU - CJUE 5 apr 2019, IEFBE 2861; ECLI:NL:HR:2019:503 (Stichting BREIN tegen News-Service Europe), http://www.ie-forum.be/artikelen/prejudicieel-te-stellen-vragen-verricht-usenetdienst-een-mededeling-aan-het-publiek

HR 5 april 2019, IEF 18372; IEFbe 2861; IT 2737;  ECLI:NL:HR:2019:503 (Stichting BREIN tegen News-Service Europe) Auteursrecht. NTD. Hof Amsterdam [IEF 16425] bepaalde dat Usenetprovider effectieve NTD-procedure moet invoeren als ze activiteiten hervat. De vragen van uitleg van Unierecht waarvan de Hoge Raad beantwoording door het HvJEU nodig acht voor zijn beslissing op het cassatieberoep, zijn de volgende:

1. Verricht een exploitant van een platform voor Usenetdiensten (zoals NSE is geweest), onder de omstandigheden zoals hiervoor in 3.1 en 4.2.3 beschreven, een mededeling aan het publiek in de zin van art. 3 lid 1 [Auteursrechtrichtlijn]?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt (en dus sprake is van een mededeling aan het publiek):
Staat de vaststelling dat de exploitant van een platform voor Usenetdiensten een mededeling aan het publiek verricht
in de zin van art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn in de weg aan toepassing van art. 14 lid 1 [Richtlijn inzake elektronische handel]?

IEFBE 2860

HvJ EU: Etiketteringsverboden tabak moeten worden opgevat als verbod om smaakstof als reclame te gebruiken

30 jan 2019, IEFBE 2860; ECLI:EU:C:2019:76 (Planta Tabak), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-etiketteringsverboden-tabak-moeten-worden-opgevat-als-verbod-om-smaakstof-als-reclame-te-gebr
Planta Tabak

HvJ EU 30 januari 2019, IEF 18370; IEFbe 2860; LS&R 1699; RB 3293; ECLI:EU:C:2019:76 Merkenrecht. Tabak. Reclame. Het verbod op het gebruik van elementen of kenmerken – inclusief merken – die verwijzen naar een smaak, naar geur- of smaakstoffen of naar andere additieven, dan wel naar het ontbreken daarvan in artikel 13, lid 1, onder c), van de richtlijn. Verduidelijkt moest nog worden of de etiketteringsverboden moeten worden opgevat als een verbod om de smaakstof als reclame te gebruiken. Dit is het geval, dit oordeel is in lijn met de conclusie van de AG [IEF 17815; IEFbe 2641; LS&R 1625; RB 3162] .

IEFBE 2848

Donderdag 11 april Lunchbijeenkomst over de aangenomen DSM-richtlijn

Op 26 maart 2019 is de Digital Single Market-richtlijn aangenomen door het Europees Parlement. Op donderdag 11 april organiseert deLex in Amsterdam een lunchbijeenkomst van 12:30 tot 14:30. Sprekers zijn Paul Keller, Stef van Gompel, Vincent van den Eijnde (of Hanneke Holthuis) en Dirk Visser, maar iedereen mag natuurlijk meepraten. Paul Keller spreekt vooral over artikelen 5 t/m 10b. Stef van Gompel over artikel 11 en desgewenst over 3 en 3a. Tot slot spreken Vincent van den Eijnde en Dirk Visser over artikel 13 (zie voorproefje IEF 18304). Bijwonen, klik hier

IEFBE 2857

Conclusie AG: Reclame maken voor imitatieproducten in ander land, dan is die Uniemerkrechter in dat land bevoegd

HvJ EU - CJUE 28 mrt 2019, IEFBE 2857; ECLI:EU:C:2019:276 (AMS Neve), http://www.ie-forum.be/artikelen/conclusie-ag-reclame-maken-voor-imitatieproducten-in-ander-land-dan-is-die-uniemerkrechter-in-dat-la

Conclusie AG HvJ EU 28 maart 2019, IEF 18346; IEFbe 2857; ECLI:EU:C:2019:276; C-172/18 (AMS Neve) Bevoegdheid. Merkenrecht. Grondgebied waar de inbreuk heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden. Op een website afgebeelde advertenties en verkoopaanbiedingen. Conclusie AG:

Artikel 97, lid 5, van [Uniemerkverordening] moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een onderneming, die gevestigd is en haar hoofdkantoor heeft in lidstaat A, aldaar stappen heeft ondernomen om te adverteren voor bepaalde waren en deze onder een teken dat identiek is aan een Uniemerk te koop aan te bieden op een website die is gericht op zowel handelaren als consumenten in lidstaat B, een rechtbank voor het Uniemerk van lidstaat B bevoegd is om uitspraak te doen over een vordering wegens inbreuk op het Uniemerk vanwege deze advertenties en verkoopaanbieding van deze producten op dit grondgebied.

Het is aan de verwijzende rechter om over dit punt een beslissing te nemen bij de toetsing van de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat uit hoofde van artikel 97, lid 5, van verordening nr. 207/2009.

IEFBE 2859

HvJ EU: Door aanvrager gegeven kwalificatie als kleur- of beeldmerk vormt relevant element voor beoordeling

HvJ EU - CJUE 27 mrt 2019, IEFBE 2859; ECLI:EU:C:2019:261 (Hartwall), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-door-aanvrager-gegeven-kwalificatie-als-kleur-of-beeldmerk-vormt-relevant-element-voor-beoord
Hartwall

HvJ EU 27 maart 2019, IEF 18351; IEFbe 2859; C‑578/17; ECLI:EU:C:2019:261 (Hartwall) Kleurmerk of beeldmerk – Grafische voorstelling van een merk in de vorm van een afbeelding. Naar aanleiding van een tussenbeslissing van het nationale bureau voor de intellectuele eigendom heeft Hartwall toegelicht dat zij verzocht om inschrijving van het litigieuze merk als „kleurmerk” en niet als beeldmerk. HvJ EU:

1)      Artikel 2 en artikel 3, lid 1, onder b), [Merkenrichtlijn] moeten aldus worden uitgelegd dat de door de aanvrager bij inschrijving aan een teken gegeven kwalificatie als „kleurmerk” of „beeldmerk” een van de relevante elementen vormt voor de beoordeling of dit teken een merk kan vormen in de zin van artikel 2 van deze richtlijn en of, in voorkomend geval, dit teken onderscheidend vermogen heeft in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van deze richtlijn, maar dat deze kwalificatie de bevoegde merkenrechtelijke autoriteit niet ontheft van haar verplichting om over te gaan tot een concrete en globale analyse van het onderscheidend vermogen van het betrokken merk, hetgeen betekent dat die autoriteit de inschrijving van een teken als merk niet kan weigeren op de loutere grond dat dit teken geen onderscheidend vermogen heeft verkregen door het gebruik dat ervan is gemaakt voor de geclaimde waren of diensten.

IEFBE 2858

Dirk Visser: updated version of 'Trying to understand article 13'

28 mrt 2019, IEFBE 2858; http://www.ie-forum.be/artikelen/dirk-visser-updated-version-of-trying-to-understand-article-13
Dirk Visser

Article 17, formerly known as article 13, is the most important and most controversial provision of the EU Directive on Copyright in the Digital Single Market on which the EU member states and institutions have reached agreement in principle in February 2019. 2 The European Parliament voted in favour on 26 March 2019. The council of ministers is expected to accept the final text on 9 April 2019.

This paper aims at analysing what the idea of article 17 is and how it might work out in practice. Which legal issues will arise, which preliminary questions will be put to the CJEU? It is not meant to argue for or against article 17. The article itself is taken as a given. This paper is merely a first attempt to look ahead and find out what could happen in practice.

It is obvious that article 17 is a compromise between many interests and wishes and that is quite contradictory at some points. But that in itself is nothing new. Much of the EU legislation consist of partly contradictory or incomprehensible clauses, because compromise apparently was the only option for reaching consensus. Consequently, it is often up to commentators, practitioners and judges to make the best of it.

The directive contains a large number of recitals on the issue article 17 addresses, and article 17 itself contains many subsections.  
Lees het vernieuwde artikel hier (pdf).
De geplande lunchbijeenkomst van deLex, met onder andere Dirk Visser, op donderdag 11 april over de DSM-richtlijn gaat door. Voor meer informatie kijk hier.

 

IEFBE 2856

Het patroon van de TIJGERNOOT is weliswaar onregelmatig, maar bevat voldoende karakteristieke, terugkerende elementen

27 mrt 2019, IEFBE 2856; ECLI:NL:RBGEL:2019:1444 (Frito-Lay tegen Intersnack), http://www.ie-forum.be/artikelen/het-patroon-van-de-tijgernoot-is-weliswaar-onregelmatig-maar-bevat-voldoende-karakteristieke-terugke

Rechtbank Gelderland 27 maart 2019, IEF 18345; IEFbe 2856; ECLI:NL:RBGEL:2019:1444 (Frito-Lay tegen Intersnack) Merkenrecht. Inbreuk. Frito-Lay is houder van het woordmerk TIJGERNOOTJES. Intersnack brengt Girafnootjes op de markt. Intersnack stelt dat TIJGERNOOTJES is verworden tot soortnaam, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. De nootjes zelf zijn een samengesteld merk (merk 2) dat zowel kleur- als vormelementen kent, maar hoeft niet te voldoen aan zowel de vereisten voor zuivere kleurmerken, als de vereisten voor zuivere vormmerken. Dit geldt niet voor alle samengestelde merken van Frito-Lay, uit een zwart-wit foto, zonder beschrijving valt niet af te leiden wat beschermd dient te worden. Het patroon van de noot is weliswaar onregelmatig, maar bevat voldoende karakteristieke, terugkerende elementen om herkenbaar te zijn voor het in aanmerking komende publiek. Daarnaast is er geen sprake van een technisch effect o.i.d. nu het merk enkel het patroon op de nootjes betreft. Er is onvoldoende overeenstemming tussen de het woordmerk TIJGERNOOTJES en Girafnootjes. Het uiterlijk van de nootjes stemt wel voldoende overeen om van inbreuk te spreken. Het gebruik van een afbeelding van de open noot is geen inbreuk nu dit een informatief doel dient. Geen slaafse nabootsing, wel merkinbreuk op het patroon van de nootjes.

IEFBE 2855

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU: Is een schriftelijke overeenkomst betreffende de terbeschikkingstelling van software tussen twee overheidsorganen, waaraan een samenwerkingsovereenkomst is verbonden, een "overheidsopdracht"?

HvJ EU - CJUE 14 feb 2019, IEFBE 2855; http://www.ie-forum.be/artikelen/prejudicieel-gestelde-vragen-aan-hvj-eu-is-een-schriftelijke-overeenkomst-betreffende-de-terbeschikk

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU 14 februari 2019, IT 2729; IEF 2855; C-796/18 (Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung) via MinBuza: De stad Keulen is in 2016 op zoek gegaan naar nieuwe software voor het meldkamersysteem van haar beroepsbrandweer. Zij keek hiervoor onder andere naar de door de deelstaat Berlijn gebruikte software IGNIS Plus van Sopra Steria Consulting GmbH (hierna: “SSC”). De overeenkomst tussen Berlijn en SCC laat toe dat Berlijn de software IGNIS Plus kosteloos doorgeeft aan andere overheidsinstanties met veiligheidstaken (hierna: “BOS”). De stad Keulen en de deelstaat Berlijn sluiten overeenkomsten betreffende een kosteloze langdurige terbeschikkingstelling en gebruik van de software IGNIS Plus. Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung (ISE), dat voor BOS software ontwikkelt en te koop aanbiedt, vordert nietigverklaring van de overeenkomsten. Zij stelt dat de overeenkomsten tussen de stad Keulen en de deelstaat Berlijn, die een juridische eenheid vormen, zijn onderworpen aan het aanbestedingsrecht en dat de verwerving daarom Europabreed diende te worden aanbesteed.

IEFBE 2854

DSM-richtlijn aangenomen door Europees Parlement

Volg de plenaire vergadering live. Europees Parlement - Persberichten. Nadere informatie volgt.

Selectie van video's EP Plenary session: Copyright in the Digital Single Market
- Opening statements by Axel VOSS (EPP,DE), rapporteur, Nicola DANTI (S&D, IT) for IMCO committee and Mariya GABRIEL, Member of the EC in charge of Digital Economy and Society (8:59 - 9:10)
- MEPs debate Part 1, Part 2, Part 3 , Part 4
- Catch the eye (10:17 - 10:35)
- Closing statements by Andrus ANSIP, Vice-President of the EC in charge of DSM and by Axel VOSS (EPP, DE), rapporteur (10:35 - 10:40)

- Vote on the report by Axel VOSS (EPP, DE) (12:46 - 12:52)

Press release - Copyright reform: the Commission welcomes European Parliament's vote in favour of modernised rules fit for digital age

 

IEFBE 2853

Vragen aan HvJ EU: Is auteursrechtelijke bescherming vouwfiets uitgesloten als verschijningsvorm noodzakelijk is voor technisch resultaat?

HvJ EU - CJUE 18 dec 2018, IEFBE 2853; (Brompton Bicycle), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvj-eu-is-auteursrechtelijke-bescherming-vouwfiets-uitgesloten-als-verschijningsvorm-nood

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU 18 december 2018, IEF 18332; IEFbe 2853; C-833/18 (Brompton Bicycle) Via MinBuza: Brompton Bicycle beschuldigt CHEDECH ervan inbreuk te maken op Brompton’s auteursrecht betreffende haar vouwfietsen. Net als de vouwfietsen van CHEDECH, hebben die van Brompton drie standen (gevouwen, open en stand-by). Brompton meent daarom dat inbreuk wordt gemaakt op haar auteursrecht door de identieke verschijningsvormen van de vouwfietsen. Richtlijn 2001/29/EG bepaalt dat voor gebruiksvoorwerpen auteursrechtelijke bescherming uitgesloten is indien het gaat om verschijningsvormen die noodzakelijk zijn voor het bereiken van het technische resultaat. CHEDECH stelt dat dit laatste in deze zaak ook het geval is. In de Belgische rechtspraak wordt om de noodzakelijkheid te bepalen het onlosmakelijke verbandcriterium toegepast. Het Hof past een ander criterium toe, namelijk het oorzakelijkheidscriterium. In dat licht wenst de verwijzende Belgische rechter duidelijkheid van het Hof.

IEFBE 2852

Conclusie AG: Vooraf ingesteld selectievakje dat door de gebruiker moet worden gedeactiveerd is geen daadwerkelijke toestemming

HvJ EU - CJUE 21 mrt 2019, IEFBE 2852; ECLI:EU:C:2019:246 (Planet49), http://www.ie-forum.be/artikelen/conclusie-ag-vooraf-ingesteld-selectievakje-dat-door-de-gebruiker-moet-worden-gedeactiveerd-is-geen

Conclusie AG HvJ EU 21 maart 2019, IT 2730; IEFbe 2852; ECLI:EU:C:2019:246; C-673/17 (Planet49) Verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie. Cookies. Toestemming. Daadwerkelijke toestemming middel van een vooraf ingesteld selectievakje. Conclusie AG:

(1)      There is no valid consent within the meaning of Articles 5(3) and 2(f) (...Directive on privacy and electronic communications), read in conjunction with Article 2(h) of [Directive 95/46/EC] and on the free movement of such data in a situation such as that of the main proceedings where the storage of information, or access to information already stored in the user’s terminal equipment, is permitted by way of a pre-ticked checkbox which the user must deselect to refuse his consent and where consent is given not separately but at the same time as confirmation in the participation in an online lottery.

IEFBE 2850

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU: Telecomaanbieder die bepaalde applicaties tegen een nultarief hanteert in strijd met netneutraliteit?

HvJ EU - CJUE 11 sep 2018, IEFBE 2850; (Telenor), http://www.ie-forum.be/artikelen/prejudicieel-gestelde-vragen-aan-hvj-eu-telecomaanbieder-die-bepaalde-applicaties-tegen-een-nultarie

Prejudicieel gestelde vragen HvJ EU 11 september 2018, IT 2728 en IEFbe 2850; C-807/18 en C-39/19 (Telenor) Telecom. Telenor, een van de voornaamste aanbieders van telecommunicatiediensten van Hongarije, biedt o.a. het de pakketten MyChat en MyMusic aan. Deze pakketten bieden een bepaalde hoeveelheid data (afhankelijk van welke versie je kiest) en daarnaast bieden ze onbeperkt gebruik van bepaalde apps. Bij MyMusic betreft het bepaalde muziekstreamingplatforms en bij MyChat betreft het bepaalde apps met chatfuncties. Het gebruik van de geselecteerde apps telt niet mee voor de limiet van dataverkeer en de apps zijn beschikbaar voor abonnees met volledige breedband, zelfs wanneer de datalimiet is opgebruikt. Terwijl andere apps - die niet onder het verlaagde tarief vallen - leiden tot betalend dataverkeer en beperkter toegankelijk worden doordat de snelheid wordt verlaagd wanneer de datalimiet is bereikt. De nationale media-autoriteit was van oordeel dat de gereduceerde tarieven van MyChat en Mymusic konden worden beschouwd als een op commerciële overwegingen berustende verkeersbeheersmaatregel die in strijd is met de eisen van gelijke en niet-discriminerende behandeling, artikel 3(3) van verordening 2015/2120, en drong er bij verzoekster op aan een einde te maken aan de onrechtmatige verschillen tussen bepaalde vormen van internetverkeer. In de bezwaarprocedure werd het besluit van de nationale media-autoriteit bevestigd. De gereduceerde tarieven zouden ontegenzeglijk een verkeersbeheersmaatregel vormen die, als zodanig, kunnen worden beschouwd als strijdig met artikel 3(3) van verordening 2015/2120, zonder dat er een markt- en effectbeoordeling hoeft te worden uitgevoerd. Verzoekster heeft bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen dit besluit op bezwaar en voert aan dat er wel een markt- en effectbeoordeling had moeten plaatsvinden.

IEFBE 2849

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU: In huis opslaan van merk-lagers in ruil voor een slof sigaretten en fles cognac economisch voordeel?

HvJ EU - CJUE 28 nov 2019, IEFBE 2849; (Yhtiö), http://www.ie-forum.be/artikelen/prejudicieel-gestelde-vragen-aan-hvj-eu-in-huis-opslaan-van-merk-lagers-in-ruil-voor-een-slof-sigare
Yhtio slog sigaretten en cognac

Prejudicieel gestelde vragen HvJ EU 28 november 2018, IEF 18325; IEFbe 2849; C-772/18 (Yhtiö-slof en cognac) Merkenrecht. Een Finse onderneming A is houder van een internationaal merk voor onder meer lagers. Een Finse particulier B heeft in 2011 een partij van zulke lagers ontvangen uit China (zonder betrokkenheid bij de verzending), opgehaald van het vliegveld en enkele weken opgeslagen in zijn huis. De partij lagers is vervolgens opgehaald en naar Rusland gebracht. Als beloning voor zijn verrichtingen heeft de particulier B een slof sigaretten en een fles cognac gekregen. Onderneming A heeft bij de civiele rechter een vordering tot schadevergoeding tegen particulier B ingesteld, wegens een inbreuk op haar merkenrecht. Artikel 5 van richtlijn 2008/95/EG (hierna: de richtlijn) verbiedt derden namelijk gebruik te maken van een ingeschreven merk in het economisch verkeer. Deze vordering ligt nu voor de hoogste Finse rechter, die nu vier prejudiciële vragen aan het Hof stelt.

IEFBE 2847

Paul Reeskamp - Spin Master v High5 & Haagse exclusiviteit; een kanttekening uit de praktijk

, IEFBE 2847; http://www.ie-forum.be/artikelen/paul-reeskamp-spin-master-v-high5-haagse-exclusiviteit-een-kanttekening-uit-de-praktijk

Paul Reeskamp, ‘Spin Master v High5 & Haagse exclusiviteit; een kanttekening uit de praktijk’, IEF 18320, IEFbe 2847, www.ie-forum.nl, 22 maart 2019. De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 november 2018 prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU over de wijze waarop art 90 Gemeenschapsmodellenverordening dient te worden geïnterpreteerd [IEF 18077]. Dit deed de Hoge Raad op voorspraak van zijn A-G van Peursem [IEF 17968]. De A-G stelde cassatie in het belang der wet in naar aanleiding van een vonnis van de Amsterdamse voorzieningenrechter in de zaak Spin Master v High5. Omdat ik als advocaat van Spin Master betrokken was bij dit kort geding en het dossier is 'afgelegd', veroorloof ik mij een korte praktische kanttekening.

In zijn conclusie van 31 augustus 2018 gaat Van Peursem uitvoerig in op onder meer de totstandkomingsgeschiedenis van art 90 GModVo2 en de verschillende standpunten in (binnenlandse en buitenlandse) rechtspraak en literatuur hierover. Schaafsma heeft een reactie geschreven op dit cassatieberoep [Open Access Leiden University Repository]. Van Peursem en Schaafsma komen via verschillende wegen tot dezelfde conclusie: Nederland heeft de Rechtbank Den Haag terecht aangewezen als de exclusieve bevoegde rechter in inbreuk-kortgedingen over Gemeenschapsmodellen met dien verstande dat Van Peursem meent dat Nederland daartoe verplicht was en Schaafsma meent dat dit Nederland vrij stond. De Hoge Raad heeft nu aan het HvJ EU gevraagd of uit art. 90 volgt dat Nederland alle voorzieningenrechters bevoegdheid had moeten geven dan wel of Nederland ook alleen Den Haag heeft mogen aanwijzen. De optie van zijn A-G - aanwijzing Den Haag was verplicht - heeft de Hoge Raad niet aan Luxemburg voorgelegd. In de doorwrochte analyses van Van Peursem en Schaafsma mis ik aandacht voor een praktische aspect, namelijk of ook van belang is of je ergens op tijd terecht kunt met je zaak. Anders gezegd: dient bij het beantwoorden van de bevoegdheidsvraag gewicht te worden toegekend aan de toegankelijkheid van de rechter en aan de door TRIPs en de Handhavingsrichtlijn gewenste doeltreffende en effectieve bescherming van IE-rechten? Lees verder

IEFBE 2846

HvJ EU: Geen ABC voor een product dat een nieuwe formulering van een oud werkzaam bestanddeel is

HvJ EU - CJUE 21 mrt 2019, IEFBE 2846; ECLI:EU:C:2019:238 (Abraxis Bioscience), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-geen-abc-voor-een-product-dat-een-nieuwe-formulering-van-een-oud-werkzaam-bestanddeel-is

HvJ EU 21 maart 2019, IEF 18317; IEFbe 2846; LS&R 1695; ECLI:EU:C:2019:238; C-443/17 (Abraxis Bioscience) ABC. eerste vergunning voor het in de handel brengen van het product als geneesmiddel. Vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel dat bestaat in een door het basisoctrooi beschermde nieuwe formulering van een reeds toegestane werkzame stof. HvJ EU (Engels):

Artikel 3, onder d), van verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, juncto artikel 1, onder b), van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat de in artikel 3, onder b), van deze verordening bedoelde vergunning voor het in de handel brengen waarop een aanvraag voor een aanvullend beschermingscertificaat wordt gebaseerd die betrekking heeft op een nieuwe formulering van een bestaande werkzame stof, niet kan worden beschouwd als de eerste vergunning voor het in de handel brengen van het betrokken product als geneesmiddel wanneer voor deze werkzame stof als zodanig al eerder een dergelijke vergunning is afgegeven.
IEFBE 2845

EU-beeldmerk dat een etiketvorm weergeeft komt wel onderscheidend vermogen toe

Gerecht EU - Tribunal UE 20 mrt 2019, IEFBE 2845; ECLI:EU:T:2019:171 (Grammar - etiketvorm), http://www.ie-forum.be/artikelen/eu-beeldmerk-dat-een-etiketvorm-weergeeft-komt-wel-onderscheidend-vermogen-toe
grammar

Gerecht EU 20 maart 2019, IEF 18316; IEFbe 2845; ECLI:EU:T:2019:171; T‑762/17 (Grammar tegen EUIPO) Merkenrecht. Grammar heeft aanvraag gedaan voor twee EU-beeldmerk die een vorm voorstelt. Absolute weigeringsgrond, ontbreken van onderscheidend vermogen. De kamer van beroep herroept de beslissing, omdat de aangemelde vorm een etiket voorstelt en het merk zich richt tot een deels tot een gespecialiseerd vakpubliek en deels tot consument richt met een verhoogde opmerkzaamheid. Het Gerecht EU wijst het beroep toe en veroordeeld EUIPO in de kosten.